EHRM stelt schending van artikel 6 EVRM vast in Belgische fiscale procedure die ruim veertien jaar loopt

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 8 oktober 2026 in de zaak SIRVA NV tegen België een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld wegens overschrijding van de redelijke termijn in een fiscale procedure. De procedure betrof de fiscale aftrekbaarheid van een kartelboete van de Europese Commissie en een belastingverhoging van 10 procent wegens een onvolledige aangifte. Het Hof laat de redelijke termijn aanvangen op 7 december 2011, de datum waarop de Belgische fiscus het voornemen meedeelde de aangifte te wijzigen en een belastingverhoging op te leggen. Op het moment dat de schriftelijke behandeling in Straatsburg eindigde, liep de procedure ruim veertien jaar en was zij nog aanhangig bij het hof van beroep te Gent. Het Hof verwierp het verweer van België dat de vennootschap eerst een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat had moeten instellen of de termijnoverschrijding in cassatie had moeten aanvoeren. België moet de vennootschap € 5.000 betalen als vergoeding voor immateriële schade.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor faillissementsfraude en feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting op basis van aangepaste procesafspraken

Rechtbank Amsterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9790

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een feitelijk bestuurder voor het onttrekken van ruim € 1,2 miljoen aan de boedel van zijn later failliet verklaarde vennootschap en voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van zeven aangiften omzetbelasting. De zaak wordt afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, nadat de rechtbank een eerder afdoeningsvoorstel in januari 2026 niet volgde. De rechtbank toetst het aangepaste voorstel aan het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022 en ziet formeel geen beletsel om daarop acht te slaan. Zij merkt daarbij op dat de verdachte door de afspraken geen strafkorting krijgt en dat de procesefficiëntie beperkt is. De overeengekomen straf ligt onder het LOVS-oriëntatiepunt van 18 tot 24 maanden, wat de rechtbank aanvaardt gelet op de gokverslaving, de baan en de schuldhulpverlening van de verdachte. Zij legt twaalf maanden gevangenisstraf op waarvan tien voorwaardelijk, een taakstraf van 360 uur en een ontzetting uit het beroep van bestuurder voor drie jaar.

Read More
Print Friendly and PDF ^

FIOD houdt negen verdachten aan in onderzoek naar grootschalig witwassen

De FIOD heeft op 12 oktober drie vrouwen en zes mannen uit Barendrecht, Den Haag en de gemeente Lansingerland aangehouden. Zij worden verdacht van witwassen van uit misdrijf afkomstig geld en deelname aan een criminele organisatie. Ook zijn daarnaast elf woningen en vijf bedrijfspanden doorzocht. Daarbij is beslag gelegd op negentien panden, fysieke en digitale administratie en andere gegevensdragers.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde rooktabak: klacht over de door het hof gehanteerde opzetmaatstaf is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1625

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwerpt het cassatieberoep voor het overige in een zaak over het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van 54.990 kilogram onveraccijnsde rooktabak. De verdachte is op 9 november 2022 als bestuurder van een vrachtwagen aangehouden bij een loods waarin de douane 423 dozen gesneden tabak op 141 pallets aantreft. Het hof oordeelt dat voor het opzettelijk voorhanden hebben in de zin van artikel 97 in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de accijns voldoende is dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben. De Hoge Raad acht de klacht daarover terecht voorgesteld en verwijst voor de redenen naar zijn arrest van dezelfde dag, ECLI:NL:HR:2026:1619. Tot cassatie leidt dat niet, om de redenen die de advocaat-generaal noemt: het hof stelt ook vast dat de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de rooktabak onveraccijnsd is. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, tot 23 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Winstcorrectie vennootschapsbelasting voor door de FIOD als vals aangemerkte facturen blijft in stand, verzuimboete gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn

Rechtbank Gelderland 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5433

De rechtbank Gelderland oordeelt dat een recycling- en sloperijbedrijf vijftien facturen voor uitgeleend personeel niet ten laste van de winst over 2017 mag brengen. Een FIOD-onderzoek merkt deze facturen aan als vals, onder meer op basis van de verklaring van de opsteller dat hij ze op aangeven van de aandeelhouder valselijk heeft opgemaakt. Volgens de rechtbank maakt de belanghebbende niet aannemelijk welke personen zijn ingehuurd, wanneer en voor welke werkzaamheden, en legt zij de kasadministratie niet over. Dat de strafrechter de verklaringen nog niet heeft beoordeeld, acht de rechtbank van bijkomstig belang. De winstcorrectie van € 144.748 en de belastingrente blijven in stand. De verzuimboete wegens te late aangifte vermindert de rechtbank met 15 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de belanghebbende krijgt € 2.000 immateriële schadevergoeding en een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over ne bis in idem bij strafvervolging wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting na eerder opgelegde verzuimboetes

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een ondernemer die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting op aangifte, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van straf of maatregel. De Belastingdienst had hem voor dezelfde kwartalen al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. De verdediging betoogt dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De Hoge Raad oordeelt dat beide begrippen niet samenvallen, omdat het Handvest via artikel 52 een eigen beperkingssystematiek kent die het nationale recht mist. Wel moet de strafrechter in zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest toetsen aan de Unierechtelijke eisen van afstemming tussen procedures en evenredigheid van de bestraffing, en moet het Protocol AAFD 2023 ook in die gevallen tot afstemming tussen Belastingdienst en Openbaar Ministerie leiden. Het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt afgewezen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over hetzelfde feit bij strafvervolging voor artikel 69a AWR na een verzuimboete en de verhouding tot artikel 50 Handvest

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van een straf of maatregel. Voorafgaand aan de strafvervolging zijn aan de verdachte voor het niet betalen van die omzetbelasting al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en gaat ervan uit dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. De Hoge Raad oordeelt dat die begrippen niet samenvallen, omdat artikel 50 Handvest via artikel 52 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent die de nationale bepalingen niet kennen. In zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest moet de strafrechter wel onder ogen zien of vervolging en bestraffing te verenigen zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en welke straf bij cumulatie van procedures nog passend is. Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie wijst de Hoge Raad af.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraf voor medeplegen van valsheid in geschrift en feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting op basis van valse inkoopfacturen

Rechtbank Oost-Brabant 24 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6848

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een vennoot van een vennootschap onder firma voor het samen met zijn inmiddels overleden compagnon opmaken van vijf valse inkoopfacturen en een vals betalingsbewijs. Op basis van de valse facturen doet de vof over vijf kwartalen in 2020 tot en met 2022 onjuiste aangiften omzetbelasting, waarna de Belastingdienst in totaal € 422.591 uitbetaalt. Zonder de valse facturen had de vof over die jaren € 3.236 omzetbelasting moeten afdragen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij van niets wist ongeloofwaardig en stelt op basis van e-mail, telefoongegevens, WhatsApp-berichten en geldstromen vast dat hij een actieve en sturende rol heeft. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 18 maanden op waarvan 9 maanden voorwaardelijk, lager dan de eis vanwege de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Procesafspraken in hoger beroep: voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete voor feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting en medeplegen van gewoontewitwassen

Gerechtshof Den Haag 28 augustus 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2939

Het gerechtshof Den Haag veroordeelt op 28 augustus 2026 een verdachte voor feitelijk leidinggeven aan het onjuist doen van aangiften omzetbelasting door twee rechtspersonen, feitelijk leidinggeven aan het verstrekken van valse facturen aan de Belastingdienst en medeplegen van gewoontewitwassen. De zaak wordt in hoger beroep afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte, neergelegd in een overeenkomst van 4 maart 2026. Het hof toetst de afspraken aan het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022 en stelt vast dat de verdachte vrijwillig en adequaat voorgelicht met de afspraken instemt. Bij feit 4 komt het hof op een gering onderdeel tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank: de verdachte wast middellijk uit misdrijf verkregen geldbedragen wit door de uitbetaalde voorbelasting door te sluizen naar andere bankrekeningen. De redelijke termijn in hoger beroep is met ruim zes jaren overschreden, wat volgens het hof voldoende is verdisconteerd in de overeengekomen afdoening. Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van twee jaren op en een geldboete van € 5.000.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verschoningsrecht en AI: hoe vertrouwelijk blijft een strafdossier in een taalmodel

Bij het filteren van inbeslaggenomen telefoons en een laptop stuitte de rechter-commissaris in Rotterdam op ChatGPT-gesprekken. De beslagene had het programma een reactie laten opstellen die kennelijk bestemd was voor een verschoningsgerechtigde. In het proces-verbaal van 12 juni 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:9319) overweegt de rechter-commissaris dat een extern AI-systeem de ingevoerde en de gegenereerde informatie opslaat en die kan gebruiken, bijvoorbeeld om het model te trainen. Het invoeren van mogelijk verschoningsgerechtigde informatie kan daarom worden aangemerkt als openbaar maken, waardoor de informatie haar vertrouwelijke karakter verliest. De gesprekken zijn als niet-verschoningsgerechtigd gemarkeerd en maakten zo deel uit van de dataset die aan het onderzoeksteam is vrijgegeven.

Het gaat om één beslissing van één rechter-commissaris, in een zaak waarin het de cliënt was die de chatbot gebruikte. De redenering reikt verder dan die ene zaak. Zij raakt de advocaat die een dossier wil laten samenvatten en de cliënt die een gesprek met zijn raadsman voorbereidt. Ook de opsporing krijgt ermee te maken, omdat chatgeschiedenissen deel uitmaken van wat er op een inbeslaggenomen telefoon staat.

Op 8 december komen dit soort onderwerpen aan bod tijdens het congres Wat AI vraagt van de juridische praktijk in Den Haag.

Opslag en hergebruik als kern van de redenering

De rechter-commissaris verbindt het verlies van vertrouwelijkheid aan twee eigenschappen van de dienst: de aanbieder slaat invoer en uitvoer op, en kan die gebruiken om het model te trainen. Daarmee is nog niet gezegd wat geldt wanneer die eigenschappen ontbreken. Denk aan een dienst waarbij de aanbieder contractueel heeft toegezegd de invoer niet voor training te gebruiken en na verwerking te verwijderen, of aan een model dat op eigen hardware draait. De beslissing hoefde die varianten niet te beoordelen en doet dat ook niet. Voor de praktijk zijn het wel de varianten waar het om gaat, omdat de keuze voor een tool juist op die punten wordt gemaakt.

De geheimhoudingsplicht van de advocaat

Voor de advocaat zelf komt daar de geheimhoudingsplicht bij. Artikel 11a Advocatenwet verplicht de advocaat tot geheimhouding van alles waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening kennisneemt. Dezelfde plicht geldt voor zijn medewerkers en personeel en voor andere personen die bij de beroepsuitoefening zijn betrokken. Wie een dossier in een AI-dienst laadt, betrekt een aanbieder bij dat werk. Of die aanbieder dan te vergelijken is met de leverancier die de dossiers en de e-mail van de praktijk host, of met een buitenstaander aan wie iets wordt verteld, beantwoordt de Rotterdamse beslissing niet. Het ligt voor de hand dat daarbij meeweegt wat de aanbieder technisch met de invoer doet en wat daarover contractueel is vastgelegd. Die twee dingen verschillen per dienst en per abonnement.

De cliënt en de opsporing

De Rotterdamse zaak laat zien dat het risico ook buiten de eigen praktijk ligt. Een cliënt die zijn verhaal eerst aan een chatbot voorlegt en daarna aan zijn advocaat, heeft de vertrouwelijkheid in de redenering van de rechter-commissaris zelf prijsgegeven. Dat is een onderwerp voor het eerste gesprek met een cliënt, naast de bekende waarschuwing om niet met anderen over de zaak te praten.

Voor het Openbaar Ministerie, de FIOD en toezichthouders speelt de vraag van de andere kant. Bij het filteren van digitaal beslag moet worden bepaald hoe gesprekken met AI-diensten worden behandeld. Daarnaast verwerken zij zelf gegevens waarvoor dezelfde afweging tussen een externe dienst en een eigen omgeving geldt.

Cloud of eigen server

Een model dat lokaal draait, neemt het bezwaar weg dat de invoer bij een derde wordt opgeslagen. Er komen andere vragen voor terug. De beveiliging en het beheer liggen dan bij de organisatie zelf, en het is de vraag of een lokaal model goed genoeg is voor het werk dat ervan wordt gevraagd. Voor een kleine strafrechtpraktijk is dat een andere afweging dan voor een parket met een eigen ICT-afdeling.

Op 8 december: hoe je dit in de praktijk regelt

De Rotterdamse beslissing laat zien wat er misgaat bij een publieke chatbot. Hoe het wel kan, staat er niet in. Die vraag komt aan bod in twee plenaire sessies van het congres Wat AI vraagt van de juridische praktijk, op dinsdag 8 december 2026 in Den Haag.

De sessie over dataveiligheid en AI wordt gegeven door twee sprekers die het strafdossier van binnenuit kennen. Sander Denneman verdedigde ondernemingen in fraude-, witwas- en corruptiezaken en is medeoprichter van Lexboost, een AI-toepassing die rechtspraak doorzoekt en analyseert. Kerem Canatan staat sinds 2008 cliënten bij in fraudezaken en economisch strafrecht en is daarnaast CEO van CaseLynx. Zij brengen de ervaring mee van wie zelf met zulke dossiers heeft gewerkt en weet welke stukken een praktijk nooit uit handen wil geven.

Later op de dag behandelt Ot van Daalen de vraag of lokale AI een alternatief is voor de cloud. Hij is advocaat bij Root Legal en onderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde op onder meer informatiebeveiliging en encryptie en werkte eerder bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Wie overweegt gevoelige dossiers buiten de cloud te houden, hoort hier wat die keuze inhoudt.

De rest van het programma gaat over wat AI van een praktijk als geheel vraagt. Eva Bosma opent met een keynote over AI-transformatie, en in de workshops komen onder meer het opleiden van nieuwe medewerkers en de rechtsbescherming bij algoritmische selectie aan bod. Je kunt de dag in Den Haag bijwonen, live online volgen of achteraf terugkijken. Deelname kost € 599 exclusief btw en levert 6 PO/PE-punten op, waarvan 3 juridisch.

Bekijk het programma en schrijf je in.

Print Friendly and PDF ^