Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over hetzelfde feit bij strafvervolging voor artikel 69a AWR na een verzuimboete en de verhouding tot artikel 50 Handvest

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van een straf of maatregel. Voorafgaand aan de strafvervolging zijn aan de verdachte voor het niet betalen van die omzetbelasting al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. Het eerste cassatiemiddel klaagt over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en gaat ervan uit dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. De Hoge Raad oordeelt dat die begrippen niet samenvallen, omdat artikel 50 Handvest via artikel 52 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent die de nationale bepalingen niet kennen. In zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest moet de strafrechter wel onder ogen zien of vervolging en bestraffing te verenigen zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en welke straf bij cumulatie van procedures nog passend is. Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie wijst de Hoge Raad af.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1971, die handelt onder een handelsnaam. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verklaart op 22 april 2024 bewezen dat hij opzettelijk de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet betaalt, meermalen gepleegd, artikel 69a lid 1 AWR. Het hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Bewezenverklaard is dat de verdachte in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2018 de omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016 (€ 17.409), het eerste kwartaal van 2017 (€ 5.055) en het eerste kwartaal van 2018 (€ 7.428) niet binnen de wettelijke termijn betaalt. Hij doet wel aangifte over deze kwartalen. De verdachte bekent het feit en verklaart dat hij zijn kinderalimentatieverplichtingen voor vier kinderen laat voorgaan, terwijl hij weet dat hij omzetbelasting moet betalen. De inspecteur van de Belastingdienst legt hem voor het niet of niet tijdig betalen over deze kwartalen verzuimboetes op als bedoeld in artikel 67c lid 1 AWR.

De zaak is eerder in cassatie geweest. In een eerder arrest verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk, omdat de verdachte in strijd met artikel 255 lid 1 Sv opnieuw voor hetzelfde feit in rechten zou zijn betrokken. Ten overvloede overweegt het hof toen dat anders ontslag van alle rechtsvervolging had moeten volgen op grond van de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR. Op het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie oordeelt de Hoge Raad op 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364, dat het oordeel over hetzelfde feit onjuist is, gelet op het verschil in aard en ernst tussen de feiten van artikel 67c lid 1 AWR en het op artikel 69a lid 1 AWR toegesneden feit.

In het nu bestreden arrest verklaart het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Het betrekt daarbij dat artikel 69a AWR een opzetvereiste kent en dat het strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf in aanzienlijke mate verschilt van de bestuurlijke boete van artikel 67c AWR. Het beroep op artikel 69a lid 3 AWR verwerpt het hof. Bij de straftoemeting overweegt het hof dat de bestuursrechtelijke fiscale wetgeving in een geval als dit voldoende andere mogelijkheden biedt om de gedragingen te sanctioneren. Welke beslissing in eerste aanleg is genomen, blijkt niet uit de aangeleverde stukken.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte zijn twee cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt over de ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en doet een beroep op artikel 243 lid 2 en artikel 255 lid 1 Sv in samenhang met artikel 50 Handvest. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat, wanneer een bestuurlijke boete is opgelegd, voor het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv aansluiting moet worden gezocht bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. De toelichting bevat het verzoek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 50 Handvest. Het tweede middel ziet op het oordeel van het hof over de toepasselijkheid van artikel 69a lid 3 AWR.

De advocaat-generaal Keulen concludeert tot verwerping van het beroep. De raadslieden reageren daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.2.2 vast dat de Wet op de omzetbelasting 1968 uitvoering geeft aan Richtlijn 2006/112/EG. Met de strafvervolging wordt daarom Unierecht ten uitvoer gebracht in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest, zodat op het Handvest een beroep kan worden gedaan.

In rechtsoverweging 2.4.1 herhaalt de Hoge Raad de vergelijkingsfactoren voor hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr uit HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102: de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte. Deze factoren zijn ook bepalend voor artikel 243 lid 2 in samenhang met artikel 255 lid 1 Sv. Is een bestuurlijke boete opgelegd, dan gaat het bij de juridische aard om een vergelijking van de in de tenlastelegging omschreven en de aan de boete ten grondslag liggende verwijten, mede aan de hand van de beschermde rechtsgoederen, en van de bepalingen over de maximale bestraffing (HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222, rechtsoverweging 2.3).

De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 2.5 het arrest van het Hof van Justitie van 20 maart 2018, C-524/15 (Menci), weer. Voor artikel 50 Handvest is bepalend of de materiële feiten dezelfde zijn; de nationaalrechtelijke kwalificatie en het beschermde rechtsgoed zijn daarvoor irrelevant. Een beperking van het ne bis in idem-beginsel kan op grond van artikel 52 lid 1 Handvest gerechtvaardigd zijn. Daarvoor is vereist dat de regeling een doel van algemeen belang nastreeft, regels voor onderlinge afstemming van de procedures bevat en waarborgt dat de zwaarte van het geheel van de sancties tot het strikt noodzakelijke beperkt blijft.

Volgens rechtsoverweging 2.6.1 staat in beide lijnen van rechtspraak het ne bis in idem-beginsel centraal, dat beschermt tegen onevenredige bestraffing en een ongerechtvaardigde cumulatie van procedures. Dat betekent niet dat het begrip hetzelfde feit in artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv samenvalt met, en moet worden afgestemd op, het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. Artikel 50 Handvest kent via artikel 52 Handvest een eigen beperkingssystematiek. De nationale bepalingen kennen die niet: het oordeel dat sprake is van hetzelfde feit leidt er daar in beginsel toe dat herhaalde berechting of bestraffing niet is toegestaan.

In zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest moet de strafrechter nagaan of de vervolging verenigbaar is met artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv. Staan die bepalingen niet aan de vervolging in de weg, dan moet hij onder ogen zien of vervolging en bestraffing te verenigen zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en welke straf in het licht van een cumulatie van procedures nog passend is (rechtsoverweging 2.6.2).

Over de vervolgingsbeslissing overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.6.3 dat het Protocol AAFD 2023 (Stcrt. 2023, 16878) strekt tot afstemming tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie over de afdoeningsmodaliteit. Hoewel het protocol dat niet expliciet bepaalt, moet het zo worden toegepast dat ook afstemming plaatsvindt bij gedragingen die geheel of deels dezelfde materiële feiten betreffen in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Ook los van beleidsregels kan afstemming aangewezen zijn. Wordt in feitelijke instantie het verweer gevoerd dat de vervolgingsbeslissing niet in overeenstemming met de afstemmingsvereisten van artikel 50 Handvest is genomen en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk is, dan moet de rechter daarop gemotiveerd beslissen. Die motivering kan in cassatie worden getoetst.

Is de verdachte al eerder in een straf- of bestuursrechtelijke procedure bestraft voor gedragingen die geheel of deels dezelfde materiële feiten betreffen, zonder dat sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr of artikel 255 lid 1 Sv, dan moet de strafrechter zich er bij de strafoplegging van vergewissen dat de nadelen van beide procedures voor de verdachte niet onevenredig zijn. Dat moet uit de strafmotivering blijken (rechtsoverweging 2.6.4, met verwijzing naar HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350 en HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364).

Het eerste middel faalt voor zover het uitgaat van de opvatting dat hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij hetzelfde delict in artikel 50 Handvest (rechtsoverweging 2.7). De opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie, zodat voor een prejudiciële vraag geen aanleiding bestaat (rechtsoverweging 2.8).

De overige klachten, waaronder het tweede middel, kunnen niet tot vernietiging leiden. De Hoge Raad motiveert dat oordeel niet nader, artikel 81 lid 1 RO.

Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat sinds het instellen van het cassatieberoep meer dan twee jaren zijn verstreken. Nu geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met die vaststelling.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^