Veroordeling voor faillissementsfraude en feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften omzetbelasting op basis van aangepaste procesafspraken

Rechtbank Amsterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9790

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een feitelijk bestuurder voor het onttrekken van ruim € 1,2 miljoen aan de boedel van zijn later failliet verklaarde vennootschap en voor feitelijk leidinggeven aan het niet doen van zeven aangiften omzetbelasting. De zaak wordt afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, nadat de rechtbank een eerder afdoeningsvoorstel in januari 2026 niet volgde. De rechtbank toetst het aangepaste voorstel aan het kader van de Hoge Raad van 27 september 2022 en ziet formeel geen beletsel om daarop acht te slaan. Zij merkt daarbij op dat de verdachte door de afspraken geen strafkorting krijgt en dat de procesefficiëntie beperkt is. De overeengekomen straf ligt onder het LOVS-oriëntatiepunt van 18 tot 24 maanden, wat de rechtbank aanvaardt gelet op de gokverslaving, de baan en de schuldhulpverlening van de verdachte. Zij legt twaalf maanden gevangenisstraf op waarvan tien voorwaardelijk, een taakstraf van 360 uur en een ontzetting uit het beroep van bestuurder voor drie jaar.

Inleiding en context

De zaak dient in eerste aanleg voor de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Amsterdam, die een verkort vonnis wijst. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1983. Hij is feitelijk bestuurder van een besloten vennootschap die bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2024 failliet is verklaard. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op 29 januari 2026 en 17 september 2026. Op de laatste zitting sluit de rechtbank het onderzoek en doet zij onmiddellijk uitspraak.

Aan het vonnis gaat een eerste afdoeningsvoorstel van 9 juli 2025 vooraf. Op de zitting van 29 januari 2026 oordeelt de rechtbank dat de voorgestelde bewezenverklaring op voorhand geen recht lijkt te doen aan de overgelegde bewijsmiddelen, dat de voorgestelde strafmaat daarbij op voorhand niet passend lijkt en dat tussen partijen geen volledige overeenstemming lijkt te bestaan over bewezenverklaring, kwalificatie en strafmaat. Zij houdt de zaak aan, met de opmerking dat partijen in de tussentijd tot gewijzigde of aangevulde procesafspraken kunnen komen. Dat leidt tot een aangepast afdoeningsvoorstel van 21 april 2026. De rechtbank stelt op 25 augustus 2026 per e-mail nadere vragen, waarop de officier van justitie op 11 september 2026 antwoordt onder verwijzing naar vier aanvullende documenten. Het vonnis vermeldt dat het aangepaste voorstel op 17 september 2026 aan de rechtbank is overgelegd; hoe dat zich verhoudt tot de vragen van 25 augustus 2026, blijkt niet uit de uitspraak.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Onder feit 1 primair wordt de verdachte verweten dat hij geld aan de boedel van de later failliet verklaarde vennootschap heeft onttrokken, terwijl hij wist dat schuldeisers daardoor werden benadeeld. Subsidiair is ten laste gelegd dat hij buitensporig middelen van de vennootschap heeft gebruikt, waardoor de rechtspersoon ernstig nadeel ondervond en het voortbestaan in gevaar kwam. Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het niet en/of onjuist doen van aangiften omzetbelasting door de vennootschap.

De rechtbank grondt de straffen onder meer op artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 51 Sr en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Bij feit 1 staan het onttrekken van goederen aan de boedel voor de intreding van het faillissement en de wetenschap van benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden centraal. Bij feit 2 gaat het om het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl dat ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie verbindt zich in de procesafspraken om te rekwireren tot bewezenverklaring van de feiten zoals weergegeven in een gestreepte tenlastelegging, uitgaande van een benadelingsbedrag van € 603.167, en om afstand te doen van hoger beroep. Conform die afspraken acht de officier van justitie feit 1 primair en feit 2 bewezen. Hij vordert een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, een taakstraf van 360 uur en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaar.

De officier van justitie licht toe dat de verdachte door de procesafspraken geen korting krijgt en dat hij zonder afspraken dezelfde straf zou hebben geëist. De lagere eis ten opzichte van het LOVS-oriëntatiepunt motiveert hij met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte drijft geen onderneming meer, waardoor de kans op recidive nihil is. Hij werkt in loondienst en zit in een schuldhulpverleningstraject; een langere gevangenisstraf zou tot baanverlies leiden en de terugbetaling van schulden bemoeilijken. De verdachte pleegt de feiten volgens de officier van justitie om in een inmiddels overwonnen gokverslaving te voorzien, en zijn gezin is van hem afhankelijk.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert overeenkomstig de procesafspraken geen verweer ten aanzien van het bewijs; de verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. Zij dient geen onderzoekswensen in, voert geen strafmaatverweer en is akkoord met de strafeis. Zij doet afstand van hoger beroep. Ter terechtzitting stemmen zowel de verdachte als zijn raadsman ook mondeling in met de procesafspraken. Formele verweren worden niet gevoerd.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat zij alleen acht kan slaan op een afdoeningsvoorstel als is gewaarborgd dat aan de eisen van artikel 6 EVRM wordt voldaan, omdat de verdachte daarin in de regel afziet van verdedigingsrechten (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, NJ 2023/31). Op de zitting van 17 september 2026 bespreekt zij de procesafspraken met de verdachte en stelt zij zijn rechtspositie concreet aan de orde. De verdachte verklaart dat hij de afspraken met zijn raadsman heeft doorgesproken en begrijpt wat zij inhouden. De rechtbank oordeelt dat de verdachte, die gedurende het hele proces door dezelfde advocaat is bijgestaan, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en in het besef van de rechtsgevolgen ondubbelzinnig heeft besloten mee te werken aan de afspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.

De rechtbank overweegt daarnaast dat zij in deze zaak niet zonder meer het voordeel van procesafspraken voor partijen ziet. De verdachte krijgt geen korting op de strafeis, en nu de rechtbank de afspraken op twee zittingen heeft beoordeeld, lijkt de winst in procesefficiëntie gering. De zaak is volgens de rechtbank geen doorsnee zaak die voor procesafspraken in aanmerking komt. Formeel ziet zij echter geen beletsel, zodat zij acht slaat op de procesafspraken.

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen. Omdat het een verkort vonnis betreft, worden de redengevende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen alleen in een aanvulling opgenomen als hoger beroep wordt ingesteld. Feit 1 kwalificeert als het als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd. Feit 2 kwalificeert als feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Er zijn geen rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgronden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

  • als feitelijk bestuurder van de vennootschap in de periode van 3 januari 2018 tot en met 8 juli 2024 in Amsterdam en Hoofddorp voor het faillissement zonder geldige titel in totaal € 1.279.350 aan de boedel heeft onttrokken, door € 69.132 over te maken van de rekening van de vennootschap naar zijn privérekening, circa € 184.020 contant op te nemen van de bankrekening van de vennootschap, € 614.538 die een ander bedrijf aan de vennootschap verschuldigd was op zijn privérekening te laten uitbetalen, € 392.000 contant op te nemen uit de kas van de vennootschap en € 19.660 contant op te nemen van een tweede bankrekening van de vennootschap (feit 1);

  • als feitelijk bestuurder het personeels-, leveranciers- en klantenbestand van de vennootschap om niet heeft overgedragen aan een op 3 april 2020 opgerichte vennootschap, waardoor de vennootschap geen bedrijfsactiviteiten meer had, terwijl hij wist dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld (feit 1);

  • feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 november 2024 opzettelijk niet doen van de aangiften omzetbelasting over het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2019, het eerste en tweede kwartaal van 2020 en het vierde kwartaal van 2020, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven (feit 2).

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank noemt de feiten ernstig. Het benadelingsbedrag bedraagt meer dan € 600.000 en de Belastingdienst is de grootste schuldeiser, zodat de verdachte volgens de rechtbank indirect de gehele samenleving heeft benadeeld. Uit het strafblad van 3 juli 2026 blijkt geen recente veroordeling voor soortgelijke feiten. Wel zijn de verdachte op 13 november 2025 en 25 februari 2026 strafbeschikkingen opgelegd voor verkeersfeiten, met geldboetes van € 290 en € 470; de rechtbank houdt daarmee rekening op grond van artikel 63 Sr.

Voor fraude met een benadelingsbedrag van meer dan € 600.000 geldt volgens de LOVS-oriëntatiepunten (versie juli 2026) een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. De rechtbank overweegt dat de gokverslaving niet volledig buiten de invloedssfeer van de verdachte ligt, maar dat geen sprake is geweest van een vooropgezet plan om met een onderneming fraude te plegen. De verdachte is voor zijn verslaving in behandeling geweest en de rechtbank gaat ervan uit dat daaraan een einde is gekomen. Hoewel hij geen bekennende verklaring aflegt, betuigt hij spijt, verklaart hij zich te schamen en wil hij verantwoordelijkheid nemen. De overeengekomen straf ligt fors lager dan in soortgelijke zaken, maar de verdachte ondervindt volgens de rechtbank wel degelijk de gevolgen van zijn handelen. Hij moet twee maanden in detentie doorbrengen en daarnaast 360 uur taakstraf verrichten naast een fulltime baan. Hij neemt zijn opgespaarde vakantiedagen van vorig en dit jaar op om de gevangenisstraf uit te zitten en zijn baan te behouden, waardoor hij tot het einde van de taakstraf vrijwel geen vrije dagen heeft. De rechtbank vindt de voorgestelde straf daarom passend en acht het verstandig dat de verdachte hulp zoekt om blijvend van zijn gokverslaving af te komen.

Als hoofdstraf legt de rechtbank een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 360 uur, subsidiair 180 dagen vervangende hechtenis. Als bijkomende straf volgt ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder en feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 Sr voor de duur van drie jaar. De rechtbank wijkt niet af van de eis van het Openbaar Ministerie. De straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51, 57, 63 en 343 Sr en artikel 69 AWR.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^