EHRM stelt schending van artikel 6 EVRM vast in Belgische fiscale procedure die ruim veertien jaar loopt

Op 8 oktober 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) arrest gewezen in de zaak SIRVA NV tegen België, nr. 24900/24. Het Hof, zitting houdend als comité van drie rechters, oordeelt unaniem dat de duur van een Belgische fiscale procedure in strijd is met het recht op behandeling binnen een redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM. Aanleiding voor de procedure was de vraag of een door de Europese Commissie opgelegde kartelboete en de daarover verschuldigde interesten fiscaal aftrekbaar waren, waarbij de Belgische fiscus tevens een belastingverhoging van 10 procent oplegde wegens een onvolledige aangifte. De procedure begon in december 2011 en was eind 2025 nog niet afgerond. Het Hof sluit voor het beginpunt en de beoordeling van de termijn aan bij het Grote Kamer-arrest Vegotex International S.A. tegen België van 3 november 2022, en voor de ontvankelijkheid bij Van den Kerkhof tegen België van 5 september 2023. De Orde van Vlaamse Balies besteedde op 15 oktober 2026 aandacht aan het arrest in een bijdrage van haar studiedienst.

Van kartelboete naar fiscaal geschil

In 2008 stelde de Europese Commissie vast dat SIRVA NV en negen andere ondernemingen een kartel hadden gevormd op de Belgische markt voor internationale verhuisdiensten, door prijzen af te spreken en de markt te verdelen. De Commissie legde de vennootschap een geldboete van € 3,49 miljoen op. Beroepen bij het Gerecht en het Hof van Justitie van de Europese Unie werden verworpen.

Na een fiscale controle stuurde de FOD Financiën de vennootschap op 7 december 2011 twee berichten van wijziging van haar aangiften over 2009 en 2010. De fiscus stelde zich op het standpunt dat geldboeten wegens schending van het mededingingsrecht en de interesten daarover niet aftrekbaar zijn, en kondigde een belastingverhoging van 10 procent aan wegens een onvolledige aangifte. Een aanslag die op 12 april 2012 uitvoerbaar werd verklaard, bracht voor aanslagjaar 2010 een bedrag van € 227.890,56 in rekening, inclusief de verhoging.

Het procesverloop in België

De vennootschap diende op 29 juni 2012 een bezwaarschrift in bij de gewestelijk directeur. Op haar verzoek werd de behandeling geschorst in afwachting van een arrest van het Grondwettelijk Hof over een boete wegens kartelvorming, dat op 20 december 2012 werd gewezen (arrest nr. 161/2012). Het bezwaar werd op 23 oktober 2013 afgewezen, waarna de vennootschap op 23 januari 2014 beroep instelde bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Die rechtbank verwierp het beroep. Het arrest van het EHRM vermeldt als datum van dat vonnis 6 december 2015 en als datum van het hoger beroep 22 april 2015; die data zijn onderling niet verenigbaar en het arrest licht dit niet toe.

Bij het hof van beroep te Brussel was de conclusiewisseling op 17 juni 2016 afgerond, terwijl de pleitzitting werd bepaald op 14 november 2018. Op verzoek van de vennootschap kregen partijen een nieuwe conclusietermijn en werd de zitting verplaatst naar 24 april 2019. In aanvullende conclusies van honderd pagina’s betwistte de vennootschap toen voor het eerst ook de belasting over aanslagjaar 2009. Het hof van beroep verklaarde het hoger beroep op 6 november 2019 op dat punt niet-ontvankelijk en bevestigde het vonnis voor het overige. De vennootschap vroeg de Staat de betekening van dat arrest uit te stellen, uiterlijk tot 31 december 2020.

Op 22 december 2020 stelde de vennootschap cassatieberoep in, met vier middelen en een verzoek om drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen over de verenigbaarheid van de niet-aftrekbaarheid van een kartelboete met het Unierecht. Het Hof van Cassatie oordeelde op 2 mei 2024 dat de kartelboete zelf niet aftrekbaar is, maar vernietigde het arrest voor zover het de aftrekbaarheid van de interesten betrof en verwees de zaak in zoverre naar het hof van beroep te Gent. Een verzoek tot intrekking van dat arrest leidde op 11 april 2025 tot herstel van een materiële vergissing en werd voor het overige afgewezen. De procedure in Gent liep nog toen de schriftelijke behandeling in Straatsburg eindigde.

Ontvankelijkheid: geen aangetoond effectief rechtsmiddel

De Belgische regering voerde aan dat de vennootschap de nationale rechtsmiddelen niet had uitgeput, omdat zij de termijnoverschrijding niet in cassatie had aangevoerd en geen aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat had ingesteld. Volgens de regering was de duur bovendien niet onredelijk, zodat de vraag naar een effectief rechtsmiddel een abstracte exercitie zou zijn.

Het Hof stelt vast dat fiscale geschillen in België worden behandeld door de gewone hoven en rechtbanken volgens dezelfde procedure als burgerlijke zaken. Gelet op een duur van meer dan tien jaar bij de indiening van de klacht acht het Hof de klacht prima facie verdedigbaar, zodat de vraag naar een effectief rechtsmiddel een concreet verband heeft met de situatie van de vennootschap. De bewijslast rust op de regering, die geen rechtspraak heeft overgelegd waaruit blijkt dat de aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat effectief is wanneer de onderliggende procedure nog loopt. Het Hof ziet daarom geen grond om af te wijken van Van den Kerkhof tegen België (nr. 13630/19). Evenmin heeft de regering aangetoond dat het Hof van Cassatie de termijnoverschrijding had kunnen verhelpen als die daar was aangevoerd. De exceptie wordt verworpen.

Beginpunt en beoordeling van de redelijke termijn

Voor de maatstaven verwijst het Hof naar Vegotex International S.A. tegen België. In die zaak oordeelde de Grote Kamer dat het strafrechtelijke luik van artikel 6 EVRM van toepassing was op het gedeelte van de procedure dat de belastingverhoging betrof, en niet op de heffing van de belasting zelf. Het Hof legt in SIRVA, in overeenstemming met de regering, het beginpunt op 7 december 2011, de datum waarop de vennootschap werd geïnformeerd over het voornemen van de fiscus om de aangifte te wijzigen en een belastingverhoging op te leggen. Bij de indiening van de klacht op 28 augustus 2024 liep de procedure twaalf jaar, acht maanden en eenentwintig dagen. Bij het einde van de schriftelijke behandeling, op 15 december 2025, bedroeg de totale duur meer dan veertien jaar.

De regering wees op diverse proceshandelingen van de vennootschap, op de complexiteit van de zaak en op de omvang van de ingediende stukken. Het Hof aanvaardt dat de proceshouding van de vennootschap bepaalde vertragingen verklaart, in het bijzonder bij het hof van beroep te Brussel, en dat de zaak een zekere complexiteit had. Het Hof overweegt daarbij dat een snelle invordering van de belasting meer in het belang van de Staat is dan van de belastingplichtige. Noch de proceshouding van de vennootschap noch de complexiteit van het dossier rechtvaardigt volgens het Hof echter een totale duur van meer dan veertien jaar bij een procedure die nog aanhangig is. Het Hof stelt een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vast.

Billijke genoegdoening

De vennootschap vorderde € 16.060,71 aan materiële schade, die zij koppelde aan kosten van de nationale procedures, € 20.715,53 aan immateriële schade en € 14.170 aan kosten van de procedure in Straatsburg. Het Hof ziet geen causaal verband tussen de vastgestelde schending en de gestelde materiële schade en wijst dat deel af. Het kent € 5.000 toe voor immateriële schade, te betalen binnen drie maanden. Het verzoek om vergoeding van kosten wordt afgewezen omdat de vennootschap die niet met stukken heeft onderbouwd.

Afsluiting

Het EHRM heeft in SIRVA NV tegen België unaniem een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld in een fiscale procedure over de aftrekbaarheid van een kartelboete en een belastingverhoging, die op 7 december 2011 begon. Het Hof verwierp het verweer van niet-uitputting van nationale rechtsmiddelen en kende de vennootschap € 5.000 toe voor immateriële schade. Het arrest van een comité is definitief. De verwezen procedure over de aftrekbaarheid van de interesten was eind 2025 nog aanhangig bij het hof van beroep te Gent.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^