Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over ne bis in idem bij strafvervolging wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting na eerder opgelegde verzuimboetes
/Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1578
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een ondernemer die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch schuldig is verklaard aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting op aangifte, artikel 69a lid 1 AWR, zonder oplegging van straf of maatregel. De Belastingdienst had hem voor dezelfde kwartalen al verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR opgelegd. De verdediging betoogt dat het begrip hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv moet aansluiten bij het begrip hetzelfde delict in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De Hoge Raad oordeelt dat beide begrippen niet samenvallen, omdat het Handvest via artikel 52 een eigen beperkingssystematiek kent die het nationale recht mist. Wel moet de strafrechter in zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest toetsen aan de Unierechtelijke eisen van afstemming tussen procedures en evenredigheid van de bestraffing, en moet het Protocol AAFD 2023 ook in die gevallen tot afstemming tussen Belastingdienst en Openbaar Ministerie leiden. Het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt afgewezen.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1971, die handelt onder een handelsnaam. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verklaart bij arrest van 22 april 2024 bewezen dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2018 telkens opzettelijk de omzetbelasting die op aangifte moest worden voldaan niet binnen de wettelijke termijn heeft betaald, over het derde kwartaal 2016 (€ 17.409), het eerste kwartaal 2017 (€ 5.055) en het eerste kwartaal 2018 (€ 7.428). Het feit is gekwalificeerd als opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet betalen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 69a lid 1 AWR. Het hof bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Wat de uitkomst in eerste aanleg was, blijkt niet uit de uitspraak.
De verdachte heeft de aangiften gedaan maar de belasting bewust niet betaald, omdat hij voorrang gaf aan zijn verplichtingen tot betaling van kinderalimentatie. Voorafgaand aan de strafvervolging heeft de inspecteur hem verzuimboetes opgelegd op grond van artikel 67c lid 1 AWR wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting over dezelfde kwartalen.
De zaak is een vervolg op HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364. Een eerdere kamer van het hof had het Openbaar Ministerie toen niet-ontvankelijk verklaard omdat de verzuimboetes hetzelfde feit zouden betreffen. De Hoge Raad achtte dat oordeel onjuist, onder meer gelet op het opzetvereiste en de maximale gevangenisstraf van zes jaren in artikel 69a lid 1 AWR. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie thans ontvankelijk en oordeelt dat de vervolging niet ziet op hetzelfde feit in de zin van artikel 255 lid 1 Sv. Bij de straftoemeting betrekt het hof dat de bestuursrechtelijke fiscale wetgeving in een geval als dit voldoende andere mogelijkheden biedt om de gedragingen van de verdachte te sanctioneren.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stellen de advocaten A.J.C. Perdaems en D.C. Molenaars twee cassatiemiddelen voor. Het eerste middel komt op tegen de ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en doet daartoe een beroep op artikel 243 lid 2 en artikel 255 lid 1 Sv in samenhang met artikel 50 Handvest. De verdediging stelt dat bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit een meer feitelijke toets moet worden aangelegd. De toelichting op het middel bevat het verzoek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 50 Handvest. Het tweede middel richt zich, blijkens de conclusie, tegen het oordeel van het hof over de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR. De advocaat-generaal Keulen concludeert tot verwerping van het beroep. De raadslieden reageren daarop schriftelijk.
Beoordeling Hoge Raad
Eerste middel. De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.2.2 vast dat de Wet op de omzetbelasting 1968 uitvoering geeft aan Richtlijn 2006/112/EG, zodat met de strafvervolging Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest en een beroep op het Handvest openstaat.
In rechtsoverweging 2.4.1 herhaalt de Hoge Raad de vergelijkingsfactoren voor hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr uit HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102: de juridische aard van de feiten, met name de beschermde rechtsgoederen en de strafmaxima, en de gedraging van de verdachte. Een aanzienlijk verschil in een van beide kan ertoe leiden dat geen sprake is van hetzelfde feit. Volgens rechtsoverweging 2.4.2 zijn die factoren ook bepalend voor artikel 243 lid 2 in samenhang met artikel 255 lid 1 Sv. Is een bestuurlijke boete opgelegd, dan worden de in de tenlastelegging omschreven en de aan de boete ten grondslag liggende verwijten vergeleken, mede aan de hand van de rechtsgoederen achter de bestuursrechtelijke norm en de delictsomschrijving, evenals de bepalingen over de maximale bestraffing (vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222, rechtsoverweging 2.3).
In rechtsoverweging 2.5 geeft de Hoge Raad het arrest van het Hof van Justitie van 20 maart 2018, C-524/15 (Menci), weer. Daaruit volgt dat voor artikel 50 Handvest beslissend is of de materiële feiten dezelfde zijn, waarbij de nationale kwalificatie en het beschermde rechtsgoed irrelevant zijn. Een cumulatie van vervolgingen en sancties kan op grond van artikel 52 lid 1 Handvest gerechtvaardigd zijn als de regeling een doel van algemeen belang met elkaar aanvullende doelen nastreeft, regels bevat voor onderlinge afstemming van de procedures en waarborgt dat de zwaarte van het geheel van sancties beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke.
In rechtsoverweging 2.6.1 overweegt de Hoge Raad dat het ne bis in idem-beginsel in beide rechtsstelsels centraal staat en beschermt tegen onevenredige bestraffing en ongerechtvaardigde cumulatie van procedures. Dat betekent niet dat het begrip hetzelfde feit in artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv samenvalt met of moet worden afgestemd op het begrip hetzelfde delict in artikel 50 Handvest. Artikel 50 Handvest kent via artikel 52 een eigen beperkingssystematiek, zodat de vaststelling dat sprake is van hetzelfde delict niet zonder meer meebrengt dat herhaalde berechting of bestraffing ongeoorloofd is. De nationale bepalingen kennen zo’n systematiek niet: het oordeel dat sprake is van hetzelfde feit leidt daar in beginsel tot een verbod op herhaalde berechting of bestraffing.
Volgens rechtsoverweging 2.6.2 moet de strafrechter in zaken binnen de werkingssfeer van het Handvest, als artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv de vervolging niet al blokkeren, daarnaast onder ogen zien of vervolging en bestraffing verenigbaar zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en welke straf in het licht van een eventuele cumulatie van procedures nog passend is.
Over de vervolgingsbeslissing overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.6.3 dat het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD 2023, Stcrt. 2023, 16878) strekt tot afstemming tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie over de afdoeningsmodaliteit. Hoewel het protocol dat niet uitdrukkelijk bepaalt, moet het zo worden toegepast dat afstemming ook plaatsvindt bij gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten betreffen in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daarmee wordt tegengegaan dat strafrechtelijk wordt vervolgd waar uitsluitend bestuursrechtelijke handhaving volstaat. Ook buiten beleidsregels om kan afstemming aangewezen zijn. Voert de verdediging in feitelijke aanleg aan dat de vervolgingsbeslissing niet strookt met de afstemmingsvereisten van artikel 50 Handvest en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk is, dan moet de rechter daarop gemotiveerd beslissen, en die motivering is in cassatie toetsbaar.
Over de strafoplegging overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.6.4 dat de strafrechter, wanneer de verdachte al eerder straf- of bestuursrechtelijk is bestraft voor gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten betreffen maar geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr of artikel 255 lid 1 Sv, zich ervan moet vergewissen dat de nadelen van beide procedures voor de verdachte niet onevenredig zijn. Hij verwijst naar HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, rechtsoverweging 3.3.3, en in iets ander verband naar HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350, rechtsoverweging 2.4 en HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, rechtsoverweging 4.2.3. Dat moet uit de motivering van de eventuele strafoplegging blijken.
Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat bij een opgelegde bestuurlijke boete voor de inhoud van hetzelfde feit in artikel 255 lid 1 Sv aansluiting moet worden gezocht bij hetzelfde delict in artikel 50 Handvest, faalt het gelet op rechtsoverweging 2.6.1 (rechtsoverweging 2.7). Het verzoek om een prejudiciële vraag wijst de Hoge Raad af, omdat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie (rechtsoverweging 2.8).
Overige klachten. De overige klachten, waaronder het tweede middel, kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad motiveert dat oordeel niet met toepassing van artikel 81 lid 1 RO.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Omdat de verdachte strafbaar is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, volstaat de Hoge Raad met dat oordeel en verbindt hij er geen ander rechtsgevolg aan.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
