Winstcorrectie vennootschapsbelasting voor door de FIOD als vals aangemerkte facturen blijft in stand, verzuimboete gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn
/Rechtbank Gelderland 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5433
De rechtbank Gelderland oordeelt dat een recycling- en sloperijbedrijf vijftien facturen voor uitgeleend personeel niet ten laste van de winst over 2017 mag brengen. Een FIOD-onderzoek merkt deze facturen aan als vals, onder meer op basis van de verklaring van de opsteller dat hij ze op aangeven van de aandeelhouder valselijk heeft opgemaakt. Volgens de rechtbank maakt de belanghebbende niet aannemelijk welke personen zijn ingehuurd, wanneer en voor welke werkzaamheden, en legt zij de kasadministratie niet over. Dat de strafrechter de verklaringen nog niet heeft beoordeeld, acht de rechtbank van bijkomstig belang. De winstcorrectie van € 144.748 en de belastingrente blijven in stand. De verzuimboete wegens te late aangifte vermindert de rechtbank met 15 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de belanghebbende krijgt € 2.000 immateriële schadevergoeding en een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Inleiding en context
De meervoudige belastingkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, beslist in eerste aanleg op het beroep van een vennootschap tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 april 2022 (zaaknummer ARN 22/3739). De Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) is partij in verband met het verzoek om immateriële schadevergoeding. De uitspraakdatum is ontleend aan de gegevens op rechtspraak.nl; in de uitspraak zelf is de datum van uitspraak niet ingevuld.
De belanghebbende is een rechtspersoon, opgericht op 23 mei 2017, die een recycling- en sloperijbedrijf exploiteert. Alle aandelen worden gehouden door een vennootschap die tevens enig bestuurder is. De aandelen in die vennootschap houdt in 2017 een natuurlijk persoon, hierna de aandeelhouder. Het eerste boekjaar loopt tot en met 31 december 2017.
Op 5 juli 2017 kondigt de inspecteur boekenonderzoeken aan bij de bestuurdersvennootschap en bij een andere vennootschap van de aandeelhouder. Die laatste vennootschap wordt op 20 juli 2017 verkocht en op 16 november 2017 failliet verklaard, waarna de FIOD een strafrechtelijk onderzoek begint naar onder meer faillissementsfraude. Daarbij worden 25 aan de belanghebbende gerichte facturen van twee ondernemingen aangetroffen over juli tot en met december 2017, met als omschrijving uitlening van personeel aan een project in Frankrijk. De opsteller verklaart tegenover de FIOD dat hij de facturen op aangeven van de aandeelhouder valselijk heeft opgemaakt. Een ex-medewerker, die op kasbewijzen staat vermeld als ontvanger van contante bedragen, verklaart dat hij zulke bedragen nooit heeft afgegeven. De FIOD merkt de facturen aan als vals, tot een totaal van € 330.308 exclusief omzetbelasting.
Na een aanmaning van 6 augustus 2018 doet de belanghebbende op 30 april 2019 aangifte Vpb 2017 naar een belastbare winst van € 173.820. De inspecteur legt met dagtekening 26 september 2020 een aanslag op naar € 502.928, na een winstcorrectie van € 329.108, met € 12.750 belastingrente en een verzuimboete van € 2.639. Een voornemen tot afwijken van de aangifte is niet verzonden, waarvoor de inspecteur zich bij brief van 13 november 2020 verontschuldigt. Bij uitspraak op bezwaar brengt hij de correctie terug tot € 144.748, omdat een deel van de facturen niet ten laste van het resultaat 2017 is gebracht, en stelt hij het belastbaar bedrag na verrekening van het verlies 2018 van € 215.772 vast op € 102.796. De verzuimboete handhaaft hij.
Geschil en wettelijk kader
In geschil is of de inspecteur de winst terecht met € 144.748 heeft gecorrigeerd, of de belastingrente juist is berekend en of de verzuimboete op grond van artikel 67a AWR terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Die bepaling maakt het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting beboetbaar, in 2017 met ten hoogste € 5.278. Daarnaast verzoekt de belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en betwist zij de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast voor de zakelijkheid van de kosten op de belanghebbende rust; in geschil is of die bewijslast moet worden verzwaard.
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur stelt dat geen recht op aftrek bestaat, omdat de facturen valselijk zijn opgemaakt, en legt daartoe de FIOD-verklaringen over. Hij bepleit verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. Over de boete stelt hij dat het verzendrapport de verzending van de aanmaning aantoont, dat opzet of grove schuld geen vereiste is, dat een beroep op afwezigheid van alle schuld niet opgaat, dat kennisgeving vooraf niet vereist is en dat slechte financiële omstandigheden niet aannemelijk zijn gemaakt. De belastingrente onderbouwt hij met een berekening.
Standpunt van belanghebbende
De belanghebbende stelt dat het gefactureerde bedrag zakelijke kosten betreft van een project in Frankrijk, per kas voldaan. Zij voert aan dat de opsteller contant betaald wilde worden omdat hij gokverslaafd zou zijn en dat hij een fiscaal belang heeft bij zijn verklaring. Zij legt een verklaring over van een voor haar werkzame persoon. Verzwaring van de bewijslast is volgens haar niet mogelijk wanneer de bewijslast al bij haar ligt. Tegen de belastingrente voert zij alleen aan dat die onjuist is berekend.
Over de boete stelt zij dat zij zich niet bewust was van de te late aangifte, dat haar geen verwijt treft en dat haar standpunt pleitbaar is. De boete is niet vooraf aangekondigd, zij herinnert zich geen aanmaning en de boete is volgens haar onevenredig gelet op haar financiële omstandigheden, waarbij zij wijst op het verlies over 2018. Ten slotte beroept zij zich op undue delay, verzoekt zij om immateriële schadevergoeding en vraagt zij een hogere kostenvergoeding in bezwaar met wegingsfactor 1,5.
Oordeel rechtbank
Om proceseconomische redenen toetst de rechtbank eerst aan de normale bewijslastverdeling. Zij oordeelt dat de belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van zakelijke kosten. Uit de FIOD-verklaringen volgt dat de opsteller geen personeel heeft uitgeleend en dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. Dat het nog niet tot een strafzaak tegen de verdachten in het FIOD-onderzoek is gekomen, onder wie de aandeelhouder, is slechts van bijkomstig belang; de verklaringen zijn niet ingetrokken. Naast de facturen had de belanghebbende aannemelijk moeten maken welke personen zijn ingehuurd, wanneer, voor welke duur en voor welke werkzaamheden. Betaling per kas is niet aannemelijk gemaakt, nu de kasadministratie niet is overgelegd. De stelling over de gokverslaving is een blote stelling die bovendien geen betalingen voor inhuur van personeel onderbouwt. Ook de stelling over het fiscale belang van de opsteller en de verklaring die bij nader stuk van 20 mei 2024 is ingebracht, zijn onvoldoende om de verklaringen te ontkrachten. De winstcorrectie houdt stand en aan de vraag naar verzwaring van de bewijslast komt de rechtbank niet toe.
De belastingrente volgt het bedrag van de aanslag en de berekening van de inspecteur is niet betwist.
Voor de verzuimboete is aankondiging vooraf niet verplicht: artikel 67k (oud) AWR is vervallen en artikel 5:53 Awb geldt niet voor verzuimboetes (artikel 67pa AWR). Op basis van het onbetwiste verzendrapport staat vast dat de aanmaning op 6 augustus 2018 is verzonden. Opzet is geen bestanddeel van de delictsomschrijving, zodat bewustzijn, verwijtbaarheid en pleitbaarheid bij deze verzuimboete niet relevant zijn. Onevenredigheid en slechte financiële omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd; een enkele verwijzing naar het verlies over 2018 volstaat niet.
Voor het verzoek om immateriële schadevergoeding hanteert de rechtbank het overzichtsarrest van HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 6 oktober 2020 is de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 23 maanden overschreden, wat leidt tot € 2.000 (vier halve jaren à € 500). De bezwaarfase duurde afgerond twaalf maanden langer dan de termijn van zes maanden, zodat de inspecteur € 1.043 betaalt en de Staat € 957.
Beslissing
Het beroep inzake de aanslag Vpb 2017 en de belastingrentebeschikking is ongegrond.
Het beroep inzake de boete en de kostenvergoeding in bezwaar is gegrond; de uitspraak op bezwaar wordt in zoverre vernietigd.
De verzuimboete wordt verminderd tot € 2.243.
De inspecteur vergoedt € 1.043 en de Staat € 957 aan immateriële schade.
De inspecteur vergoedt de kosten van de bezwaarfase tot € 1.248, de proceskosten in beroep tot € 1.968,75 en het griffierecht van € 365.
Boete en overige beslissingen
De rechtbank vermindert de verzuimboete van € 2.639 met 15 procent tot € 2.243 wegens undue delay (vgl. HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Tussen de oplegging op 26 september 2020 en de uitspraak liggen afgerond 47 maanden, 23 maanden meer dan de termijn van twee jaar voor de behandeling in eerste aanleg.
Voor de kostenvergoeding in bezwaar laat de rechtbank, overeenkomstig HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing. De vergoeding bedraagt € 1.248 (twee punten à € 624, wegingsfactor 1); de zaak is volgens de rechtbank niet zo ingewikkeld dat een wegingsfactor van 1,5 gerechtvaardigd is. Na aftrek van de reeds toegekende € 538 resteert € 710. De proceskosten in beroep bedragen € 1.750 (twee punten à € 875), vermeerderd met € 218,75 voor het verzoek om schadevergoeding (wegingsfactor 0,25, vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2).
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Hof: Voorhanden hebben van valse geschriften valt buiten vervolgingsuitsluitingsgrond artikel 69 lid 4 AWR, 4 juni 2026
Feitelijke leidinggeven aan omvangrijke belastingfraude met valse facturatie, 26 juni 2025
