Valse opgave in hypotheekakte: Hoge Raad acht onbegrijpelijk dat een daadwerkelijk gevestigd hypotheekrecht in strijd met de waarheid zou zijn opgenomen

Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:798

De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak over het medeplegen van het opnemen van een valse opgave in een hypotheekakte. De verdachte is door het hof veroordeeld voor het opzettelijk doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte op grond van artikel 227 Sr. De bewezenverklaring houdt in dat in de hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met € 245.000, op een woning in Breda. Het hof stelt in de bewijsvoering echter vast dat de eigenaar en zijn echtgenote daadwerkelijk een hypotheekrecht ten gunste van de verdachte hebben gevestigd tot diezelfde bedragen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel dat het gevestigde hypotheekrecht in strijd met de waarheid is opgenomen daarom niet begrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven bij profijtontneming

Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:790

Dit arrest betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het medeplegen van het (voorbereiden van het) invoeren van cocaïne, waarbij het gerechtshof Den Haag de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling van € 45.000 aan de Staat. Het tweede en het derde cassatiemiddel klagen over het oordeel van het hof dat het geld voor de aankoop van een BMW en een Audi A3 aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven zijn. Het hof neemt uitgaven van € 17.000 en € 8.000 in aanmerking en baseert zich op de kentekenregistratie als voor tegenspraak vatbare aanwijzing en op het ontbreken van enige administratie van de gestelde autohandel. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel toereikend is gemotiveerd, verklaart de overige middelen af op grond van artikel 81 lid 1 RO en stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn is overschreden zonder daaraan gevolg te verbinden. De Hoge Raad verwerpt het beroep, anders dan de advocaat-generaal die tot vernietiging en terugwijzing concludeert.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geld achter de plafondplaat: verhullen van de vindplaats bij witwassen toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:788

De Hoge Raad oordeelt over een witwasveroordeling waarbij de verdachte een contant geldbedrag van € 32.100 achter een plafondplaat in de slaapkamer van de woonwagen van zijn buurvrouw heeft verstopt. De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens witwassen op grond van artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht. In cassatie klaagt het tweede middel over de bewezenverklaring dat de verdachte de vindplaats van het geld heeft verhuld. De Hoge Raad zet uiteen dat verbergen en verhullen zien op gedragingen die het zicht op onder meer de vindplaats bemoeilijken en die daartoe geschikt zijn. Omdat het plaatsen van het geld achter de plafondplaat het zicht op de vindplaats bemoeilijkt, acht de Hoge Raad de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd en faalt het middel. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de taakstraf van 120 naar 114 uren en verwerpt hij het beroep voor het overige.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Maatstaf beoordeling tegenonderzoek

Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:820

Het beoordelingskader voor een verzoek om tegenonderzoek begint bij het uitgangspunt dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, zodat voor een eerste verzoek tot tegenonderzoek in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang mag worden verlangd. De verdediging moet daarbij wel aanduiden welke onderdelen van de deskundigenverklaring zij betwist, en kan worden gevraagd toe te lichten waarom toetsing bij voorkeur via een tegenonderzoek moet plaatsvinden in plaats van langs een andere weg, zoals het horen van de deskundige of een nader rapport. Is een eerder verzoek om tegenonderzoek al toegewezen en dat onderzoek uitgevoerd, dan mag bij een volgend verzoek om de betrouwbaarheid van zowel de eerste verklaring als het tegenonderzoek te onderzoeken wel een nadere onderbouwing van het belang worden verlangd. Uit die motivering moet blijken dat en waarom de verdediging met het eerdere onderzoek geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de eerste deskundigenverklaring te toetsen. In de regel is daaraan voldaan als voldoende is onderbouwd dat er concrete aanwijzingen zijn dat ook na het verrichte tegenonderzoek geen betrouwbaar onderzoeksresultaat beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het onderzoek niet aan de vakinhoudelijke eisen voldoet.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Twaalf jaren verstreken: Hoge Raad verklaart OM niet-ontvankelijk voor drie verduisteringen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:772

De Hoge Raad bevestigt dat verduistering in de zin van artikel 321 Sr na twaalf jaren absoluut verjaart op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° Sr juncto artikel 72 lid 2 Sr. Voor drie tenlastegelegde verduisteringen uit 2010 en 2011 vangt de verjaringstermijn aan op 17 november 2011, de dag na het laatste bewezenverklaarde feit, omdat aanknopingspunten voor een voortdurend delict ontbreken. De absolute termijn verstrijkt daarmee op 16 november 2023, ruim vóór het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025. De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging van die drie feiten en wijst de zaak terug voor een nieuwe strafoplegging voor het resterende feit uit 2015. Het arrest onderstreept dat bij het ontbreken van indicaties voor voortduring de aanvang van de verjaring strikt op grond van artikel 71 Sr wordt bepaald.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afhaler bij de AKO op Schiphol: Hoge Raad herhaalt overwegingen m.b.t. medeplegen en i.h.b. afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en m.b.t. rol die proceshouding van verdachte kan spelen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:770

De Hoge Raad herhaalt voor de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid de vooropstelling uit HR 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1316) en bevestigt dat ook de procesopstelling van de verdachte bij de beoordeling van het gewicht van zijn bijdrage een rol mag spelen. Onder verwijzing naar HR 29 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:97) overweegt de Hoge Raad dat het zwijgrecht onverkort geldt, maar dat het uitblijven van een aannemelijke, ontzenuwende verklaring voor redengevende feiten en omstandigheden in het bewijsoordeel kan worden betrokken. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden ambtshalve verminderd tot elf maanden en twee weken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoger beroep mag niet leiden tot een hogere straf via de achterdeur

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:773

De Hoge Raad casseert een arrest van het hof 's-Hertogenbosch over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv in een hennepzaak. De rechtbank legde voor twee feiten gezamenlijk zes maanden gevangenisstraf op, waarna het hoger beroep werd beperkt tot het telen van een grote hoeveelheid hennep. Het hof veroordeelde voor dat feit tot zes maanden gevangenisstraf en bepaalde voor het aanwezig hebben van hennep daarnaast nog vijf weken extra. De Hoge Raad oordeelt dat die strafbepaling onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voor beide feiten één gezamenlijke hoofdstraf had uitgesproken. De zaak wordt teruggewezen voor een nieuwe strafoplegging en strafbepaling conform de uitleg van artikel 423 lid 4 Sv.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verkorte termijn voor cassatieschriftuur geldt ook bij afgewezen verschoningsrecht

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:764

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van een klager tegen een beslagbeschikking niet-ontvankelijk wegens een te laat ingediende schriftuur. De klager, werkzaam als directeur en 'legal expert' bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland, beriep zich op een zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van onder hem in beslag genomen iPhones, een MacBook en een iPad. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 31 maart 2025 dat hem dat verschoningsrecht niet toekomt. De Hoge Raad bevestigt dat de verkorte cassatietermijn van veertien dagen uit artikel 447 lid 5 jo. 552d lid 3 Sv ook geldt als de rechtbank het beroep op het verschoningsrecht heeft afgewezen. Nu de schriftuur na 27 november 2025 pas op 19 december 2025 is ingediend, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Toerekening van wederrechtelijk voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leider: materiële zeggenschap is niet genoeg

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691

In dit arrest verduidelijkt de Hoge Raad de motiveringseisen bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leidinggevende natuurlijke persoon in de trustsector. Het hof Amsterdam had EUR 1.688.200 aan voordeel uit inhousevennootschappen aan de betrokkene toegerekend op grond van diens materiële zeggenschap, maar de Hoge Raad oordeelt dat die motivering ontoereikend is. Mede gelet op het reparatoire karakter van artikel 36e Sr moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. De enkele vaststelling dat hij over het vennootschapsvermogen kon beschikken volstaat niet; vereist is dat hij daarover vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

AG: inzet Awb-toezichtbevoegdheden bij integrale controle levert geen vormverzuim op

AG Paridaens concludeert in een cassatiezaak naar aanleiding van een integrale controle in Wijchen, waarbij in een bedrijfspand een drugslab werd aangetroffen. De verdediging stelde dat de gemeente haar bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden had misbruikt voor strafrechtelijke doeleinden en bepleitte op die grond bewijsuitsluiting. Volgens de AG levert het enkele feit dat sprake is van signalen van ondermijning en samenwerking met de politie geen schending van artikel 1:6 Awb op. Pas wanneer toezichtbevoegdheden uitsluitend voor opsporing in de zin van artikel 132a Sv worden ingezet, ontstaat een vormverzuim, en daarvan is bij een integrale controle niet snel sprake. De Hoge Raad doet naar verwachting op 7 juli 2026 uitspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^