Afhaler bij de AKO op Schiphol: Hoge Raad herhaalt overwegingen m.b.t. medeplegen en i.h.b. afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en m.b.t. rol die proceshouding van verdachte kan spelen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:770

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2024, waarin de verdachte na vrijspraak in eerste aanleg alsnog is veroordeeld voor medeplegen van de opzettelijke invoer van ruim 1.100 gram cocaïne via Schiphol als bedoeld in artikel 2 onder A van de Opiumwet. Het hof stelt vast dat de verdachte als afhaler de koeriers heeft aangesproken op de met hen afgesproken plek in het stationsgebied en dat hij voor, tijdens en na die ontmoeting veelvuldig telefonisch contact had met personen die de praktische zaken rondom de invoer regelden, met als doel de overdracht van de cocaïne aan de organisatoren van het transport te verzekeren. De Hoge Raad herhaalt voor de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid de vooropstelling uit HR 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1316) en bevestigt dat ook de procesopstelling van de verdachte bij de beoordeling van het gewicht van zijn bijdrage een rol mag spelen. Onder verwijzing naar HR 29 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:97) overweegt de Hoge Raad dat het zwijgrecht onverkort geldt, maar dat het uitblijven van een aannemelijke, ontzenuwende verklaring voor redengevende feiten en omstandigheden in het bewijsoordeel kan worden betrokken. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden ambtshalve verminderd tot elf maanden en twee weken.

Achtergrond

De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1980, is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2024 (zaaknummer 23-002457-21) veroordeeld voor het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van twee hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, te weten 559,46 gram en 548,24 gram. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 2 onder A van de Opiumwet. Het hof legt de verdachte een gevangenisstraf op van twaalf maanden. In eerste aanleg is de verdachte voor dit feit nog vrijgesproken; in hoger beroep komt het hof tot een tegengestelde uitkomst.

Het feitencomplex speelt zich af op 25 februari 2021 op de luchthaven Schiphol. In de ochtend van die dag arriveren twee vrouwelijke koeriers, in de uitspraak aangeduid als medeverdachte 1 en medeverdachte 2, met een vlucht vanuit Curaçao. Na een controle worden zij aangehouden; in en op hun lichamen wordt in totaal 1.107,70 gram cocaïne aangetroffen. De koeriers werken vervolgens mee aan een zogenoemde 2-gramsprocedure, een opsporingsmethode waarbij met een kleine hoeveelheid verdovende middelen de afhaler in beeld kan worden gebracht. Onder observatie wachten zij omstreeks 9.45 uur in het stationsgebied van Schiphol, ter hoogte van de AKO. Op datzelfde moment komt de verdachte vanuit het treinperron met de roltrap omhoog, loopt naar de koeriers en roept iets naar hen. Deze ontmoeting wordt zowel door observatieteams als door camerabeelden vastgelegd. Na het contact telefoneert de verdachte veelvuldig. Om 10.25 uur is hij aangehouden.

Bij zijn aanhouding wordt een Nokia-telefoon aangetroffen die in de uitspraak telefoonnummer 1 wordt genoemd. Tussen 9.46 en 9.54 uur is met dat toestel viermaal gebeld naar een nummer dat toebehoort aan medeverdachte 3, die eerder in 2017 als afhaler optrad in een strafzaak waarvoor de verdachte zelf is aangehouden voor het invoeren van verdovende middelen. Datzelfde nummer wordt voorafgaand aan zijn aanhouding ook gebeld door twee andere telefoonnummers, in de uitspraak telefoonnummer 4 en telefoonnummer 2 genoemd. Telefoonnummer 4 is in de tenlastegelegde periode in gebruik bij medeverdachte 4, die op 30 december 2021 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden voor onder meer zijn bijdrage aan dezelfde drugsinvoer. Hij onderhoudt blijkens verwijderde WhatsApp-gesprekken op de telefoon van koerier 1 vrijwel dagelijks contact met haar, ontvangt COVID-19-testuitslagen, paspoortafbeeldingen en een instapkaart, en vraagt om foto's zodat hij weet hoe de koeriers gekleed gaan. Telefoonnummer 2 is bij de verdachte in gebruik: het is gebruikt bij boekingen van vliegtickets op zijn naam, het heeft veelvuldig contact met het nummer van zijn partner en de verdachte heeft het gebruik zelf erkend. Vanaf dit nummer is in een periode van zes maanden veertien keer contact geweest met medeverdachte 4 en drieënzeventig keer met medeverdachte 3. Bovendien zit het in een WhatsApp-groepsgesprek van 19 februari 2021 met onder meer koerier 1 en medeverdachte 4.

De verdachte heeft een andersluidende lezing gegeven. Hij stelt dat hij na een ruzie met zijn partner naar Schiphol is gereisd en de twee vrouwen alleen heeft aangesproken om te flirten. De Nokia-telefoon zou hij diezelfde ochtend bij station Lelylaan hebben gevonden. Het andere telefoonnummer zou niet alleen bij hem, maar ook bij meerdere personen in gebruik zijn geweest. Het hof schuift dit verweer als ongeloofwaardig terzijde. Uit historische telefoongegevens leidt het hof af dat het toestel om 9.18 uur een zendmast aanstraalde die niet bij station Lelylaan ligt, maar op een locatie tussen de woning van de partner van de verdachte en dat station. Bovendien is de verdachte direct na zijn ontmoeting met de koeriers op datzelfde toestel gebeld door personen die volgens zijn eigen verhaal dit nummer niet konden kennen.

Middel

De verdachte voert in cassatie één middel aan. Dit middel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Centraal staat dus de bewijsrechtelijke vraag of de bijdrage van de verdachte van zodanig gewicht is dat deze als medeplegen kan worden gekwalificeerd, dan wel of slechts sprake is van een lichtere vorm van betrokkenheid, in het bijzonder medeplichtigheid.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt voor de beoordeling van het middel allereerst de bekende vooropstelling over medeplegen uit HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2016:1323. Voor de kwalificatie medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde, intellectuele of materiële, bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechter mag bij de vorming van dat oordeel rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van die rol, de aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij kan, aldus de Hoge Raad, van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband ook de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. Met deze vooropstelling bakent de Hoge Raad medeplegen af van de lichtere strafrechtelijke variant medeplichtigheid: bij medeplichtigheid ontbreekt juist het voor medeplegen vereiste gewicht van de eigen bijdrage en is sprake van een ondersteunende, niet-uitvoerende rol.

Vervolgens hernieuwt de Hoge Raad de vaste lijn over de rol van de proceshouding van de verdachte, met een uitdrukkelijke verwijzing naar HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97. De weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet tot het bewijs bijdragen. Het uitblijven van een aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring kan daarentegen wel in het bewijsoordeel worden betrokken, mits de daaraan ten grondslag liggende omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de overige bewijsmiddelen redengevend is voor het tenlastegelegde feit. De Hoge Raad benadrukt dat deze beide regels naast elkaar staan: het zwijgrecht blijft onverkort van toepassing, maar de rechter behoeft geen genoegen te nemen met een onaannemelijke alternatieve lezing van de feiten.

Tegen deze achtergrond toetst de Hoge Raad het oordeel van het hof. Het hof heeft aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd dat de verdachte als afhaler de koeriers daadwerkelijk op de afgesproken plek in het stationsgebied van Schiphol heeft aangesproken en dat hij voor, tijdens en na deze ontmoeting veelvuldig telefonisch contact had met anderen die op hun beurt de praktische zaken rondom de invoer regelden en met de koeriers in contact stonden. Het hof heeft vastgesteld dat die contacten tot doel hadden om de overdracht van de door de koeriers ingevoerde cocaïne aan de organisatoren van het drugstransport te verzekeren. Mede in aanmerking genomen het uitblijven van een aannemelijke, andersluidende verklaring van de verdachte voor de door het hof vastgestelde belastende feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. De Hoge Raad acht dat oordeel toereikend gemotiveerd en verklaart het middel ongegrond.

Ambtshalve constateert de Hoge Raad dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak meer dan twee jaren zijn verstreken. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is daarmee overschreden. Dit leidt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden. De Hoge Raad vermindert die straf in die zin dat zij elf maanden en twee weken beloopt en verwerpt het beroep voor het overige. Daarmee blijft de bewezenverklaring van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne onverkort in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^