Valse opgave in hypotheekakte: Hoge Raad acht onbegrijpelijk dat een daadwerkelijk gevestigd hypotheekrecht in strijd met de waarheid zou zijn opgenomen
/Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:798
De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak over het medeplegen van het opnemen van een valse opgave in een hypotheekakte. De verdachte is door het hof veroordeeld voor het opzettelijk doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte op grond van artikel 227 Sr. De bewezenverklaring houdt in dat in de hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met € 245.000, op een woning in Breda. Het hof stelt in de bewijsvoering echter vast dat de eigenaar en zijn echtgenote daadwerkelijk een hypotheekrecht ten gunste van de verdachte hebben gevestigd tot diezelfde bedragen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel dat het gevestigde hypotheekrecht in strijd met de waarheid is opgenomen daarom niet begrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1945. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem bij arrest van 14 februari 2024 onder 1 wegens het medeplegen van het opzettelijk doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte, strafbaar gesteld in artikel 227 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De opgelegde straf blijkt niet uit de in cassatie weergegeven uitspraak.
Het feitencomplex heeft betrekking op een samenstel van vennootschappen waarin de verdachte en een medeverdachte als aandeelhouder en uiteindelijk belanghebbende zijn betrokken, waaronder een op Malta geregistreerde vennootschap, een in een ander land geregistreerde vennootschap en een Nederlandse besloten vennootschap. Het hof onderschrijft de vaststelling van de rechtbank dat door twee van deze vennootschappen geen bedrijfsactiviteiten werden verricht.
In 2010 koopt de medeverdachte in privé een woning in Breda voor € 865.000. Uit e-mailcorrespondentie volgt dat aan de verdachte een bedrag van € 700.000 moet worden overgemaakt, eerst onder de omschrijving dividend en daarna onder de omschrijving reimbursement of loan. Nadat de verdachte in totaal ongeveer € 700.000 op zijn rekening gestort heeft gekregen, maakt hij op 12 oktober 2010 een bedrag van € 700.000 over aan de notaris ten behoeve van de financiering van de woning van de medeverdachte. De medeverdachte en zijn echtgenote vestigen vervolgens een hypotheekrecht ten gunste van de verdachte tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000, derhalve in totaal tot een bedrag van € 945.000, op de woning in Breda.
Het hof oordeelt dat tegenover dit hypotheekrecht geen lening of andere financiële verplichting van de medeverdachte stond en dat sprake is van een loan-back constructie. Het door de verdediging gestelde bestaan van een eerdere vordering van de verdachte op de medeverdachte acht het hof niet aannemelijk geworden, omdat die schuld nergens is gedocumenteerd en daarvoor in het dossier geen steun is te vinden.
Het procesverloop in cassatie houdt in dat het beroep is ingesteld door de verdachte en dat de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen hebben voorgesteld.
Cassatiemiddelen
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het voert onder meer aan dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat, zoals is bewezenverklaard, in de hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met € 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten, op een woning ten behoeve van de verdachte en of een ander.
Het tweede cassatiemiddel wordt in de uitspraak niet inhoudelijk weergegeven, omdat de Hoge Raad bespreking daarvan gelet op de te nemen beslissing niet nodig acht.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling Hoge Raad
Bij de beoordeling van het eerste cassatiemiddel stelt de Hoge Raad vast dat het hof onder meer heeft bewezenverklaard dat de valse opgave hierin bestaat dat in de hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met € 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten, op een woning ten behoeve van de verdachte en of een ander. Het hof heeft in de bewijsvoering echter vastgesteld dat de medeverdachte en zijn echtgenote een hypotheekrecht hebben gevestigd ten gunste van de verdachte en dat de betreffende hypotheekakte daarover inhoudt dat het hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000. Het oordeel van het hof dat het gevestigde hypotheekrecht in strijd met de waarheid is opgenomen in de hypotheekakte, is daarom volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk (rechtsoverweging 2.3.1). Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld (rechtsoverweging 2.3.2).
De Hoge Raad heeft ook de verder in het eerste cassatiemiddel aangevoerde klachten beoordeeld en oordeelt dat deze niet tot vernietiging kunnen leiden. De Hoge Raad hoeft dit oordeel niet te motiveren, omdat bij de beoordeling van die klachten geen antwoord hoeft te worden gegeven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie) (rechtsoverweging 2.4).
Het tweede cassatiemiddel behoeft volgens de Hoge Raad geen bespreking, gelet op de beslissing die volgt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
