Hoger beroep mag niet leiden tot een hogere straf via de achterdeur
/Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:773
De Hoge Raad casseert een arrest van het hof 's-Hertogenbosch over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv in een hennepzaak. De rechtbank legde voor twee feiten gezamenlijk zes maanden gevangenisstraf op, waarna het hoger beroep werd beperkt tot het telen van een grote hoeveelheid hennep. Het hof veroordeelde voor dat feit tot zes maanden gevangenisstraf en bepaalde voor het aanwezig hebben van hennep daarnaast nog vijf weken extra. De Hoge Raad oordeelt dat die strafbepaling onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voor beide feiten één gezamenlijke hoofdstraf had uitgesproken. De zaak wordt teruggewezen voor een nieuwe strafoplegging en strafbepaling conform de uitleg van artikel 423 lid 4 Sv.
Achtergrond
In deze strafzaak staat een natuurlijk persoon terecht voor twee feiten die in de kern zien op betrokkenheid bij hennep. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft de verdachte op 2 april 2021 (parketnummer 03/866100-17) veroordeeld voor twee bewezenverklaarde feiten. Feit 3 betreft het medeplegen van het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennepplanten in de periode van 20 december 2016 tot en met 28 februari 2017, strafbaar gesteld in artikel 3 aanhef en onder B in verbinding met artikel 11 lid 2 en lid 5 van de Opiumwet. Volgens de overwegingen van de rechtbank zijn in een woning in een kweekruimte 3.901 hennepstekken aangetroffen, naast nog twee andere kweekruimtes en aanwezige moederplanten. De rechtbank beschouwt de verdachte en zijn broer, gelet op de omvang van de kwekerijen en de duur van de periode, als een belangrijk onderdeel van georganiseerde hennepteelt. Feit 5 betreft het op 8 maart 2017 medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 747 gram hennep, strafbaar gesteld in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet. Voor feit 3 en feit 5 gezamenlijk legt de rechtbank één hoofdstraf op, te weten een gevangenisstraf van zes maanden. Uit de overwegingen blijkt dat de rechtbank daarbij rekening houdt met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en met de eerdere veroordeling van de verdachte voor overtreding van de Opiumwet.
Tegen het vonnis stelt de verdachte aanvankelijk onbeperkt hoger beroep in. Dat hoger beroep wordt nadien ingetrokken voor zover het ziet op feit 1 (waarbij sprake is van nietigheid van de tenlastelegging), feit 4 (vrijspraak) en feit 5. Daarmee is in hoger beroep alleen feit 3 nog inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen. Voor feit 5 moet het hof de straf bepalen op de voet van artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch wijst op 17 augustus 2023 arrest (ECLI:NL:GHSHE:2023:2902, te raadplegen via uitspraken.rechtspraak.nl). Het hof veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarbij neemt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden tot uitgangspunt en brengt het wegens overschrijding van de redelijke termijn één maand in mindering. Daarnaast bepaalt het hof voor feit 5 de straf op een gevangenisstraf van vijf weken, waarbij het hof als uitgangspunt zes weken hanteert en eveneens een week aftrekt wegens de termijnoverschrijding. Een verzoek van de advocaat-generaal om voor feit 5 toepassing te geven aan artikel 9a Sr wijst het hof af.
Middel
Namens de verdachte stelt advocaat L. Bien één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv door het hof. De kern van de klacht is dat de wijze waarop het hof voor feit 3 een gevangenisstraf van zes maanden oplegt en daarnaast voor feit 5 een gevangenisstraf van vijf weken bepaalt, niet te verenigen is met het feit dat de rechtbank voor beide feiten samen één hoofdstraf van zes maanden heeft uitgesproken. De feitelijke uitkomst is daarmee dat de verdachte na het hoger beroep zwaarder uitkomt dan na het vonnis van de rechtbank, terwijl het hof geen oordeel mocht geven over feit 5 zelf. Advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeert in de bij deze zaak behorende conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:387, te raadplegen via uitspraken.rechtspraak.nl) tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en de strafbepaling, en tot terugwijzing naar het hof 's-Hertogenbosch.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad zet eerst het beoordelingskader uiteen. Artikel 423 lid 4 Sv bepaalt dat indien bij samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van die feiten, het hof in geval van vernietiging ten aanzien van de straf bij arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaalt. De Hoge Raad herhaalt dat dit betekent dat het hof moet bepalen welk gedeelte van de hoofdstraf en eventuele bijkomende straffen of maatregelen geacht moet worden door de eerste rechter te zijn opgelegd voor het feit of de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Bij die exercitie staat het het hof niet vrij omstandigheden te betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK3202). Wel staat het het hof vrij bij toepassing van artikel 423 lid 4 Sv een andere strafsoort toe te passen dan waartoe de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld, zoals reeds volgt uit Hoge Raad 4 december 1962 (ECLI:NL:HR:1962:125).
Vervolgens schetst de Hoge Raad het juridische karakter van deze figuur. Het bepalen van de straf op grond van artikel 423 lid 4 Sv is geen oplegging van een straf of maatregel in de zin van artikel 350 Sv. Daaruit volgt dat de motiveringsvoorschriften van artikel 359 lid 2, lid 5 en lid 6 Sv op de strafbepaling niet van toepassing zijn (vergelijk Hoge Raad 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734). In cassatie kan de strafbepaling echter wel op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Bij die toetsing kan betekenis toekomen aan wat de verdediging en het openbaar ministerie bij het onderzoek ter terechtzitting over de strafbepaling hebben aangevoerd. Daarmee is de strafbepaling weliswaar een lichter en meer rekenkundig instrument dan een echte strafoplegging, maar zij is niet onttrokken aan cassatiecontrole.
Toegepast op deze zaak loopt het hof vast op die begrijpelijkheidstoets. Het hof motiveert onder het kopje Op te leggen sanctie de oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden voor feit 3. Daartoe overweegt het hof onder meer dat de rechtbank voor wat betreft de hennepteelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden is gekomen. Onder het kopje Strafbepaling op de voet van artikel 423 lid 4 Wetboek van Strafvordering bepaalt het hof daarnaast voor feit 5 een gevangenisstraf van vijf weken. De Hoge Raad oordeelt dat die strafbepaling niet begrijpelijk is. Beslissend is dat de rechtbank voor feit 3 en feit 5 gezamenlijk één hoofdstraf van zes maanden heeft opgelegd. Het hof gaat er kennelijk van uit dat de rechtbank de gehele zes maanden volledig aan feit 3 heeft toegerekend en construeert daar bovenop nog een afzonderlijke straf voor feit 5. Daarmee verlaat het hof de logica van artikel 423 lid 4 Sv, dat juist vergt dat het hof bepaalt welk deel van de door de rechtbank opgelegde gezamenlijke hoofdstraf moet worden geacht voor feit 5 te zijn opgelegd. Het kan niet zo zijn dat de optelsom van het door het hof voor feit 3 opgelegde deel en het voor feit 5 bepaalde deel de oorspronkelijke hoofdstraf overschrijdt zonder dat dit deugdelijk uit de overwegingen volgt.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de bepaling van de straf op grond van artikel 423 lid 4 Sv, en wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak op die punten opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Lees hier de volledige uitspraak.
