Geld achter de plafondplaat: verhullen van de vindplaats bij witwassen toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:788

De Hoge Raad oordeelt over een witwasveroordeling waarbij de verdachte een contant geldbedrag van € 32.100 achter een plafondplaat in de slaapkamer van de woonwagen van zijn buurvrouw heeft verstopt. De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens witwassen op grond van artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht. In cassatie klaagt het tweede middel over de bewezenverklaring dat de verdachte de vindplaats van het geld heeft verhuld. De Hoge Raad zet uiteen dat verbergen en verhullen zien op gedragingen die het zicht op onder meer de vindplaats bemoeilijken en die daartoe geschikt zijn. Omdat het plaatsen van het geld achter de plafondplaat het zicht op de vindplaats bemoeilijkt, acht de Hoge Raad de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd en faalt het middel. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de taakstraf van 120 naar 114 uren en verwerpt hij het beroep voor het overige.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1988. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt hem bij arrest van 5 maart 2024 wegens witwassen, strafbaar gesteld in artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht. Bewezen is verklaard dat hij op 15 november 2022 van een geldbedrag van in totaal € 32.100 de vindplaats heeft verhuld en dit geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij weet dat het uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof legt een taakstraf op van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Volgens de bewijsvoering van het hof verklaart de vader van de verdachte op 15 november 2022 aan de politie dat achter een plafondplaat van een woonwagen een vuurwapen en contant geld liggen. In die woonwagen woont de buurvrouw van de verdachte. Achter een plafondplaat in de slaapkamer treft de politie drie verstopte stapels contant geld aan, met een totale waarde van € 32.100. De bewoonster verklaart dat het geld van de verdachte is. De verdachte verklaart in eerste aanleg dat hij de woning veilig vond, een plaat uit het plafond heeft getrokken en het geld daar heeft neergelegd.

Cassatiemiddelen

De advocaat P. van de Kerkhof stelt namens de verdachte cassatiemiddelen voor. De uitspraak gaat inhoudelijk uitsluitend in op het tweede cassatiemiddel. Dit middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring voor zover het hof bewezen acht dat de verdachte van het geldbedrag van € 32.100 de vindplaats heeft verhuld. De overige klachten worden in de uitspraak niet afzonderlijk weergegeven. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeert tot vernietiging uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat verbergen en verhullen als bedoeld in artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op onder andere de vindplaats van voorwerpen te bemoeilijken, en dat die gedragingen tevens geschikt moeten zijn om dat doel te bereiken. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn arresten van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, en van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462.

Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte een contant geldbedrag van in totaal € 32.100 in de woning van een derde heeft ondergebracht door het daar in de slaapkamer achter een plafondplaat te plaatsen. Gelet op het op deze manier bemoeilijken van het zicht op de vindplaats acht de Hoge Raad de bewezenverklaring wat betreft het verhullen van de vindplaats toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

De overige klachten kunnen niet leiden tot vernietiging en behoeven geen motivering, omdat zij niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, als bedoeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof uitsluitend wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, en vermindert deze tot 114 uren taakstraf, subsidiair 57 dagen hechtenis. Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^