Verkorte termijn voor cassatieschriftuur geldt ook bij afgewezen verschoningsrecht
/Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:764
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van een klager tegen een beslagbeschikking niet-ontvankelijk wegens een te laat ingediende schriftuur. De klager, werkzaam als directeur en 'legal expert' bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland, beriep zich op een zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van onder hem in beslag genomen iPhones, een MacBook en een iPad. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 31 maart 2025 dat hem dat verschoningsrecht niet toekomt. De Hoge Raad bevestigt dat de verkorte cassatietermijn van veertien dagen uit artikel 447 lid 5 jo. 552d lid 3 Sv ook geldt als de rechtbank het beroep op het verschoningsrecht heeft afgewezen. Nu de schriftuur na 27 november 2025 pas op 19 december 2025 is ingediend, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen.
Achtergrond
De klager is een natuurlijk persoon, geboren in 1979, die werkzaam is bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland in de hoedanigheid van directeur en 'legal expert'. In een strafrechtelijk onderzoek wordt hij verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving, zware mishandeling en bedreiging van een vrouw, in de sfeer van huiselijk geweld. In het kader van dit onderzoek heeft de politie onder de klager onder meer twee iPhones, een MacBook en een iPad in beslag genomen. De onderliggende strafzaak is nog niet afgerond; uit de uitspraak blijkt geen veroordeling of opgelegde straf, nu het in deze procedure uitsluitend gaat om het beklag tegen het beslag en de daarmee samenhangende beslissing over het verschoningsrecht.
Op 6 augustus 2024 dient de klager een klaagschrift in tegen het beslag op grond van artikel 552a Sv. De enkelvoudige raadkamer behandelt dit klaagschrift op 15 oktober 2024 en verwijst de zaak naar de rechter-commissaris voor een beslissing op grond van artikel 98 Sv, omdat de klager zich beroept op een hem toekomend, al dan niet afgeleid, verschoningsrecht. Op 10 december 2024 oordeelt de rechter-commissaris dat de klager een dergelijk verschoningsrecht niet toekomt. Tegen die beslissing dient de klager op 23 december 2024 een klaagschrift in op grond van artikel 98 lid 3 en 4 jo. 552a Sv.
De enkelvoudige raadkamer behandelt beide klaagschriften op 17 maart 2025 en verklaart ze bij beschikking van 31 maart 2025 (rechtbank Midden-Nederland, RK 25/000371) afzonderlijk ongegrond. Namens de klager wordt cassatieberoep ingesteld door de advocaten J.J.J. Zwaan en J.W.D. Roozemond, beiden te Utrecht. Het cassatieberoep is gericht zowel tegen de beschikking over het klaagschrift tegen het beslag (de samenhangende zaak met kenmerk 25/01195 B) als tegen de beschikking over de beslissing van de rechter-commissaris (de onderhavige zaak 25/01196 Bv). Voor de ontvankelijkheidsvraag in deze zaak is van belang dat de aanzegging op grond van artikel 447 lid 3 Sv, waarin wordt gewezen op de termijn voor indiening van de schriftuur, is betekend op 27 november 2025. De schriftuur is bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen op 19 december 2025.
Middel
Namens de klager is één cassatiemiddel voorgesteld. Dit middel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de klager geen zelfstandig dan wel afgeleid verschoningsrecht toekomt als directeur en 'legal expert' bij de kinderrechtenorganisatie. De klager stelt zich op het standpunt dat de inbeslagneming van de gegevensdragers niet is toegestaan, omdat de daarop aanwezige gegevens vallen onder zijn plicht tot geheimhouding zoals bedoeld in artikel 218 Sv. Aan een inhoudelijke beoordeling van dit middel komt de Hoge Raad echter niet toe. Het procedurele knelpunt dat eerst beoordeling behoeft, is of de schriftuur binnen de wettelijke termijn is ingediend. De wet voorziet in twee verschillende termijnen: de algemene termijn van een maand uit artikel 447 lid 5 Sv en de verkorte termijn van veertien dagen voor verschoningsgerechtigden uit artikel 552d lid 3 Sv. De rechtsvraag is of die verkorte termijn ook van toepassing is wanneer de klager wel een beroep doet op een zelfstandig verschoningsrecht, maar de rechtbank dat beroep heeft afgewezen.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad zet eerst het wettelijk kader uiteen. Op grond van artikel 98 lid 1 Sv worden bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld in de artikelen 218 en 218a Sv, brieven of andere geschriften waarop hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt niet in beslag genomen, tenzij met hun toestemming. De rechter-commissaris is bevoegd daarover te beslissen. Beslist de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, dan kan de verschoningsgerechtigde op grond van artikel 98 lid 4 Sv binnen veertien dagen na betekening van die beschikking een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a Sv is daarbij van toepassing. De Hoge Raad benadrukt dat de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijk klaagschrift uitsluitend openstaat voor de in artikel 98 lid 1 Sv bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning.
Tegen een beschikking van de rechtbank op zo'n klaagschrift kan op grond van artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a en artikel 552d lid 2 Sv door het openbaar ministerie en door de klager beroep in cassatie worden ingesteld. Op grond van artikel 447 lid 5 jo. artikel 552d lid 3 Sv geldt voor de klager in cassatie de verkorte termijn van veertien dagen na betekening van de aanzegging als bedoeld in artikel 447 lid 3 Sv voor indiening van de schriftuur met cassatiemiddelen. Deze verkorte termijn vormt een afwijking van de algemene maandtermijn die in andere strafzaken geldt.
De kernoverweging van de Hoge Raad is opgenomen in rechtsoverweging 2.2.2. De Hoge Raad oordeelt dat de termijn van veertien dagen na betekening van de aanzegging ook van toepassing is in een geval als dit, waarin de klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 jo. 552a Sv heeft ingediend en zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de inbeslagneming niet is toegestaan op de grond dat hem een zelfstandig verschoningsrecht toekomt, ook al heeft de rechtbank geoordeeld dat hem een dergelijk verschoningsrecht niet toekomt. De procedurele kwalificatie van het klaagschrift, en daarmee de toepasselijke cassatietermijn, wordt dus niet bepaald door de inhoudelijke uitkomst van het oordeel van de rechtbank over het verschoningsrecht. Het klaagschrift blijft een klaagschrift in de zin van artikel 98 lid 4 jo. 552a Sv, met de daarbij behorende verkorte cassatietermijn.
Toegepast op de feiten betekent dit het volgende. De aanzegging, waarin uitdrukkelijk is gewezen op de termijn van veertien dagen voor indiening van de schriftuur, is betekend op 27 november 2025. De schriftuur is ingediend op 19 december 2025, derhalve buiten de wettelijke termijn van veertien dagen. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat hij het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van het cassatiemiddel over het verschoningsrecht komt de Hoge Raad in deze zaak niet toe. De conclusie van advocaat-generaal M.E. van Wees (ECLI:NL:PHR:2026:362) strekte tot verwerping van het cassatieberoep; de Hoge Raad komt vanwege de termijnoverschrijding evenwel tot niet-ontvankelijkverklaring.
De beschikking is gegeven door vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026. De zaak hangt samen met de zaak 25/01195 B, waarin het cassatieberoep zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag zelf. Voor de rechtspraktijk maakt deze beschikking duidelijk dat de procedurele kwalificatie van een klaagschrift bepaalt welke cassatietermijn geldt en dat die kwalificatie niet meebeweegt met de inhoudelijke uitkomst. Een klager die zich in feitelijke aanleg op een zelfstandig verschoningsrecht beroept, moet ook in cassatie rekening houden met de verkorte termijn van veertien dagen, ongeacht of de rechtbank dat verschoningsrecht uiteindelijk erkent.
Lees hier de volledige uitspraak.
