Twaalf jaren verstreken: Hoge Raad verklaart OM niet-ontvankelijk voor drie verduisteringen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:772

De Hoge Raad bevestigt dat verduistering in de zin van artikel 321 Sr na twaalf jaren absoluut verjaart op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° Sr juncto artikel 72 lid 2 Sr. Voor drie tenlastegelegde verduisteringen uit 2010 en 2011 vangt de verjaringstermijn aan op 17 november 2011, de dag na het laatste bewezenverklaarde feit, omdat aanknopingspunten voor een voortdurend delict ontbreken. De absolute termijn verstrijkt daarmee op 16 november 2023, ruim vóór het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025. De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging van die drie feiten en wijst de zaak terug voor een nieuwe strafoplegging voor het resterende feit uit 2015. Het arrest onderstreept dat bij het ontbreken van indicaties voor voortduring de aanvang van de verjaring strikt op grond van artikel 71 Sr wordt bepaald.

Achtergrond

De Hoge Raad doet op 19 mei 2026 uitspraak in een strafzaak waarin de centrale vraag is of het recht tot strafvervolging voor drie verduisteringsfeiten uit 2010 en 2011 wegens verjaring is vervallen. De verdachte is een natuurlijke persoon, geboren in 1958. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025 (zittingsplaats Leeuwarden, parketnummer 21-003692-22) is hij wegens viermaal verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van het voorarrest op grond van artikel 27 lid 1 Sr. Daarnaast wijst het hof de vorderingen toe van vier benadeelde partijen en legt het hof voor elk toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel op.

De tenlastelegging ziet, voor zover in cassatie relevant, op vier verduisteringen in de zin van artikel 321 Sr. Volgens de tenlasteleggingen vinden de gedragingen plaats in de periode tussen 9 april 2010 en 10 februari 2017. Het gaat telkens om geldbedragen die de verdachte onder zich heeft ten behoeve van een investering en die hij zich wederrechtelijk toe-eigent. Concreet draait het bij de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair om respectievelijk EUR 20.000 toebehorend aan benadeelde 1, EUR 10.000 toebehorend aan benadeelde 2 en EUR 10.000 toebehorend aan benadeelde 3. Het hof verklaart de tenlastegelegde periodes bewezen tot en met 16 november 2011: voor feit 1 subsidiair de periode 3 september 2010 tot en met 16 november 2011, voor feit 2 subsidiair de periode 5 september 2010 tot en met 16 november 2011 en voor feit 3 subsidiair de periode 9 april 2010 tot en met 16 november 2011. Feit 4 subsidiair betreft volgens de inhoudsindicatie een verduistering van een geldbedrag in 2015 en blijft in deze cassatieprocedure inhoudelijk overeind.

Het cassatieberoep wordt ingesteld door de verdachte. Namens hem dienen de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden te Rotterdam, drie middelen van cassatie in. Advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen concludeert in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2026:229 tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair en de strafoplegging als geheel betreft, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor die drie feiten en tot terugwijzing van de zaak voor de strafoplegging ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde feit.

Cassatiemiddelen

Eerste middel. Het eerste middel klaagt dat het recht tot strafvervolging ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair wegens verjaring is vervallen. De steller van het middel betoogt dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na het bewezenverklaarde feit en dat de absolute termijn van twaalf jaren reeds is verstreken op het moment dat het hof in januari 2025 arrest wijst.

Tweede middel. Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het hof over de schending van de redelijke termijn. Dit middel komt door het slagen van het eerste middel niet aan inhoudelijke behandeling toe.

Derde middel. Het derde middel klaagt over het totale aantal dagen gijzeling dat door het hof is bepaald in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Ook dit middel blijft onbesproken.

Beoordeling door de Hoge Raad

Eerste middel. De Hoge Raad zet eerst het wettelijk kader uiteen. Verduistering, strafbaar gesteld in artikel 321 Sr, geldt als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld. Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr bedraagt de verjaringstermijn bij dit type misdrijf in beginsel zes jaren. Op grond van artikel 72 lid 2 Sr beloopt de absolute verjaringstermijn ten hoogste tweemaal die termijn, dat wil zeggen twaalf jaren. Dit is de zogenoemde absolute bovengrens: ook na stuiting van de verjaring door een daad van vervolging kan de strafvervolging niet langer doorlopen dan deze termijn. Daarmee biedt artikel 72 lid 2 Sr een definitieve einddatum voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Voor de aanvang van de verjaringstermijn is artikel 71 Sr van belang. Dit artikel bepaalt dat de termijn aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens in een aantal hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen. De Hoge Raad benadrukt dit uitgangspunt en stelt vast dat de zaak niet onder een van de uitzonderingsgevallen valt.

Vervolgens onderzoekt de Hoge Raad wat in de bewijsvoering van het hof besloten ligt. In die bewijsvoering, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 wordt weergegeven, ligt als vaststelling van het hof besloten dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat het plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16 november 2011. Dat is van doorslaggevend belang. Alleen bij een voortdurend delict of bij latere pleegmomenten zou de verjaringstermijn op een later tijdstip aanvangen. Nu zulke aanknopingspunten ontbreken, moet ervan worden uitgegaan dat de verjaringstermijn voor de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair is aangevangen op 17 november 2011, de dag na de laatste bewezenverklaarde pleegdatum.

Hieruit volgt dat de absolute verjaringstermijn van twaalf jaren afloopt op 16 november 2023. Op die datum is het recht tot strafvervolging voor deze drie feiten van rechtswege vervallen. Het hof, dat pas op 29 januari 2025 arrest wijst, had op deze punten het openbaar ministerie ambtshalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Hoge Raad acht het eerste middel gegrond en verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging voor de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair.

Tweede en derde middel. Gelet op de beslissing op het eerste middel ziet de Hoge Raad geen aanleiding het tweede en het derde middel inhoudelijk te bespreken. Beide middelen raken (mede) onderdelen die door de vernietiging en de gedeeltelijke terugwijzing worden geraakt.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2022, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair, daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen 1, 2 en 3, en wat betreft de strafoplegging als geheel, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor de drie verjaarde feiten en verklaart de drie benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding. De proceskosten met betrekking tot de verjaarde feiten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde feit opnieuw wordt berecht en afgedaan, met uitzondering van de voor dat feit opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^