HR: Maatstaf beoordeling tegenonderzoek
/Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:820
Het beoordelingskader voor een verzoek om tegenonderzoek begint bij het uitgangspunt dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, zodat voor een eerste verzoek tot tegenonderzoek in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang mag worden verlangd. De verdediging moet daarbij wel aanduiden welke onderdelen van de deskundigenverklaring zij betwist, en kan worden gevraagd toe te lichten waarom toetsing bij voorkeur via een tegenonderzoek moet plaatsvinden in plaats van langs een andere weg, zoals het horen van de deskundige of een nader rapport. Is een eerder verzoek om tegenonderzoek al toegewezen en dat onderzoek uitgevoerd, dan mag bij een volgend verzoek om de betrouwbaarheid van zowel de eerste verklaring als het tegenonderzoek te onderzoeken wel een nadere onderbouwing van het belang worden verlangd. Uit die motivering moet blijken dat en waarom de verdediging met het eerdere onderzoek geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de eerste deskundigenverklaring te toetsen. In de regel is daaraan voldaan als voldoende is onderbouwd dat er concrete aanwijzingen zijn dat ook na het verrichte tegenonderzoek geen betrouwbaar onderzoeksresultaat beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het onderzoek niet aan de vakinhoudelijke eisen voldoet.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2003, en was ten tijde van het feit minderjarig. In de nacht van 13 op 14 november 2020 is in een woning in Achterberg een vuurwerkbom, bestaande uit aan elkaar getapete stukken zwaar illegaal vuurwerk van het type Cobra 6, door de brievenbus gegooid. De vuurwerkbom is in de hal van de woning tot ontploffing gekomen. De aanwezige bewoners zijn ongedeerd gebleven, maar de ontploffing heeft grote materiële schade aan de woning veroorzaakt.
De conclusie dat het de verdachte is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft geworpen, berust met name op onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen Samsung-telefoon. Op die telefoon is een Snapchat-video van zeven seconden aangetroffen waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. Het hof heeft vastgesteld dat dit filmpje met de telefoon van de verdachte is gemaakt en dat de verdachte kort voor de ontploffing het adres en de route ernaartoe op zijn telefoon heeft opgezocht en zich naar de woning heeft begeven.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de verdachte bij arrest van 8 oktober 2024 wegens eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade en het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De toepasselijke strafbepalingen zijn artikel 302 lid 1 in samenhang met artikel 303 lid 1 en artikel 45 lid 1 Sr en artikel 157 Sr. Het hof legt een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest, en neemt beslissingen over een aantal in beslag genomen voorwerpen en over de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het cassatieberoep is namens de verdachte ingesteld. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes hebben vijf cassatiemiddelen voorgesteld.
Cassatiemiddelen
Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het op 24 september 2024 gedane voorwaardelijke verzoek om nader deskundigenonderzoek door het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) te laten verrichten. Aan dit verzoek ligt het volgende procesverloop ten grondslag. De verdediging heeft op de terechtzitting van 9 mei 2023 verzocht om nader onderzoek aan de Samsung-telefoon, ter beoordeling van de betrouwbaarheid van het technisch onderzoek dat opsporingsambtenaren al aan die telefoon hadden verricht naar de vraag of de video met die telefoon is gemaakt. Het hof heeft dat verzoek bij tussenarrest van 23 mei 2023 toegewezen en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen. Dit heeft geleid tot een herkomstonderzoek van een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 9 februari 2024, waaruit volgt dat het veel waarschijnlijker is dat het filmpje de telefoon van de verdachte als bron heeft dan een andere telefoon. De verdediging heeft vervolgens op 24 september 2024 het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een gecertificeerd deskundige van het NFO te benoemen voor een second opinion, om te onderzoeken of het NFI op de juiste manier en tot de juiste conclusie is gekomen.
Het derde middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van een van de in de bewezenverklaring genoemde personen.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken concludeert tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de onder 3 subsidiair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling ten aanzien van een van de personen, de beslissing op diens vordering als benadeelde partij en de te diens behoeve toegewezen schadevergoedingsmaatregel, tot vrijspraak van dat onderdeel van de tenlastelegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van die vordering benadeelde partij en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling Hoge Raad
Bij het eerste middel zet de Hoge Raad het beoordelingskader uiteen dat de rechter moet hanteren bij een verzoek om tegenonderzoek. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat gevolg moet worden gegeven aan een verzoek tot nieuw of nader deskundigenonderzoek ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een eerder door een andere deskundige verricht onderzoek. Of zich zo'n geval voordoet, hangt af van de concrete omstandigheden, waarbij in het bijzonder de gronden waarop het verzoek steunt en het belang van het gevraagde tegenonderzoek van belang zijn. De verdachte heeft op grond van artikel 6 EVRM het recht de betrouwbaarheid te onderzoeken van een belastende deskundigenverklaring, zodat in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang bij zo'n onderzoek mag worden verlangd. De verdediging moet daarbij wel aanduiden welke onderdelen van de deskundigenverklaring zij betwist, en mag worden gevraagd toe te lichten waarom het onderzoek bij voorkeur in de vorm van een tegenonderzoek zou moeten plaatsvinden.
De Hoge Raad overweegt dat dit uitgangspunt geldt voor gevallen waarin nog geen tegenonderzoek op verzoek van de verdediging is verricht. In een geval als dit, waarin de verdediging al in de gelegenheid is gesteld om aan de hand van een tegenonderzoek de betrouwbaarheid van een deskundigenverklaring te onderzoeken en vervolgens een nieuw deskundigenonderzoek verzoekt naar de betrouwbaarheid van zowel de eerste deskundigenverklaring als de resultaten van het tegenonderzoek, mag wel een nadere onderbouwing van het belang bij dat nieuwe onderzoek worden verlangd. Uit de motivering van dat verzoek zal moeten blijken dat sprake is van voldoende belang bij een nieuw onderzoek in het licht van de betrouwbaarheid van het al verrichte onderzoek. Het komt er onder meer op aan dat de verdediging motiveert dat en waarom zij met het eerdere onderzoek geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de eerste deskundigenverklaring te toetsen. In de regel is aan die motiveringseis voldaan als voldoende is onderbouwd dat en waarom er concrete aanwijzingen zijn dat ook na het verrichte tegenonderzoek geen betrouwbaar onderzoeksresultaat beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het verrichte onderzoek niet voldoet aan de vakinhoudelijke eisen. Deze uitgangspunten gelden ook als door een opsporingsambtenaar technisch opsporingsonderzoek is verricht.
De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting waarop het middel steunt, namelijk dat het belang van de verdachte bij nader onderzoek door het NFO moest worden voorondersteld en niet hoefde te worden onderbouwd, geen steun vindt in het recht. Het oordeel van het hof dat de noodzaak van nader onderzoek door het NFO niet is gebleken en dat het enkele feit dat de verdachte het niet eens is met het NFI-rapport onvoldoende onderbouwing voor het verzoek vormt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.
Bij het derde middel stelt de Hoge Raad vast dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen tot zwaar lichamelijk letsel bij de in de bewezenverklaring genoemde personen zouden leiden. Dat oordeel is, voor zover het betrekking heeft op een van die personen, niet zonder meer begrijpelijk, omdat uit de bewijsvoering volgt dat deze persoon ten tijde van de ontploffing niet in de woning aanwezig was. De klacht is in zoverre terecht voorgesteld, maar leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Als de bewezenverklaring ten aanzien van die persoon vervalt, worden de aard en de ernst van wat verder is bewezenverklaard in hun geheel beschouwd niet wezenlijk aangetast en blijft de kwalificatie ongewijzigd. De Hoge Raad merkt op dat ook de omstandigheid dat het hof de vordering van die persoon als benadeelde partij deels heeft toegewezen en voor een gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, niet meebrengt dat de verdachte voldoende belang heeft bij cassatie, mede omdat de toewijzing ook verband houdt met het onder 4 bewezenverklaarde feit en het toegewezen bedrag ziet op schade door hetzelfde feitencomplex.
Het tweede middel, het derde middel voor zover dat klaagt over de bewezenverklaring ten aanzien van de overige personen, het vierde middel en het vijfde middel kunnen niet tot vernietiging leiden. De Hoge Raad hoeft dit oordeel niet te motiveren, omdat de beoordeling van deze klachten geen antwoord vergt op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81 lid 1 RO).
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
