Toerekening van wederrechtelijk voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leider: materiële zeggenschap is niet genoeg

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691

In dit arrest verduidelijkt de Hoge Raad de motiveringseisen bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leidinggevende natuurlijke persoon in de trustsector. Het hof Amsterdam had EUR 1.688.200 aan voordeel uit inhousevennootschappen aan de betrokkene toegerekend op grond van diens materiële zeggenschap, maar de Hoge Raad oordeelt dat die motivering ontoereikend is. Mede gelet op het reparatoire karakter van artikel 36e Sr moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. De enkele vaststelling dat hij over het vennootschapsvermogen kon beschikken volstaat niet; vereist is dat hij daarover vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken. De Hoge Raad vernietigt het arrest partieel voor zover het component 1 betreft en wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Amsterdam.

Achtergrond

In deze ontnemingszaak staat de vraag centraal in hoeverre wederrechtelijk verkregen voordeel dat formeel door rechtspersonen is genoten, kan worden toegerekend aan de natuurlijke persoon die feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen van die rechtspersonen.

De betrokkene is een natuurlijke persoon, geboren in 1959, die actief is geweest in de trustsector. In de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak is hij door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld voor het meermalen feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een rechtspersoon, het meermalen feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift door een rechtspersoon, het meermalen feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen door een rechtspersoon en voor het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. De bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2002 tot en met 29 september 2013. De opgelegde straf in de onderliggende strafzaak blijkt niet uit de aangeleverde uitspraak.

In de ontnemingsprocedure heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 14 juni 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op EUR 1.992.982 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.987.982. Daarnaast heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. Omdat de bewezenverklaarde feiten deels vóór de wetswijziging van 1 juli 2011 hebben plaatsgevonden, heeft het hof artikel 36e tweede lid (oud) Sr toegepast.

Het hof heeft drie bronnen van wederrechtelijk verkregen voordeel onderscheiden. Component 1 betreft de verwervingen van de handelstak binnen categorie I-zaken, categorie II-zaken en voortzettingszaken, waarvan de brutofees na aftrek van kosten resulteren in de nettofees die de betrokkene zou hebben verkregen. Component 2 ziet op zaaksspecifiek toe-eigenen van gelden uit de handelstak met behulp van valse facturen, anders dan fees in categorie I-zaken. Component 3 betreft het toe-eigenen van gelden die de betrokkene op andere wijze uit de handelstak op zijn bankrekening heeft doen bijschrijven.

Voor de berekening van component 1 heeft het hof aangesloten bij het ontnemingsrapport. Daarbij zijn de brutofees van de inhouse I-vennootschappen bepaald aan de hand van het verschil tussen de van EU-debiteuren ontvangen betalingen en de overdrachten aan offshorevennootschappen, met een feepercentage van 4 procent voor bedragen in euro's en 3,25 procent voor bedragen in dollars. Voor de tussengeschoven inhouse II-vennootschappen A Ltd en B Ltd is uitgegaan van een feepercentage van 2 procent. Het hof heeft van de fees van de inhouse I-vennootschappen twee derde deel als kosten in aanmerking genomen, conform een verklaring van de betrokkene over de aanbrengvergoeding aan E en de Nederlandse kostenstructuur. Bij A, waarvan de betrokkene 100 procent aandeelhouder was, zijn geen kosten in aftrek gebracht; bij B, waarin hij via A voor 50 procent participeerde, is 50 procent van de fees als kosten meegenomen.

Voor de toerekening aan de betrokkene heeft het hof overwogen dat hij bij ieder afzonderlijk deel van de bedrijfsstructuur op enig moment als middellijk of onmiddellijk aandeelhouder of bestuurder formeel betrokken is geweest, en dat hij ook na zijn vertrek naar Monaco en later Dubai materieel de zeggenschap behield over de betrokken vennootschappen. Op grond daarvan en op grond van een e-mailbericht van 8 mei 2007, waaruit blijkt dat de betrokkene EUR 20.000 naar zijn rekening liet overboeken uit een willekeurige vennootschap, heeft het hof geoordeeld dat het voordeel uit de inhouse I- en II-vennootschappen aan hem kan worden toegerekend. Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit component 1 heeft het hof geschat op (EUR 1.992.982 minus EUR 101.200 minus EUR 203.582 =) EUR 1.688.200.

Middelen

Namens de betrokkene zijn twee cassatiemiddelen voorgesteld.

Het eerste middel klaagt over de schatting door het hof van het wegens component 1 aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel. De kern van de klacht is dat het oordeel van het hof dat het door de rechtspersonen verkregen voordeel kan worden toegerekend aan de betrokkene als natuurlijke persoon, ontoereikend is gemotiveerd.

Het tweede middel ziet op het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg en in hoger beroep. De inhoudelijke uitwerking van dit middel komt in het arrest niet aan de orde, omdat de Hoge Raad bespreking daarvan gelet op de op het eerste middel volgende beslissing niet nodig acht. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot algehele vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het hof Amsterdam.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het eerste middel stelt de Hoge Raad het toetsingskader voorop. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De Hoge Raad verwijst in dat verband naar zijn arrest van 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840.

Toegepast op de onderhavige zaak komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het hof het door hem als component 1 aangeduide wederrechtelijk verkregen voordeel van de inhouse I- en inhouse II-vennootschappen weliswaar heeft geschat op EUR 1.688.200, maar dat het oordeel dat dit voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, niet toereikend is gemotiveerd. Voor toerekening volstaat niet dat de betrokkene materieel de zeggenschap had over die rechtspersonen en dat hij daardoor over het vermogen van die rechtspersonen kon beschikken. Uit die enkele vaststelling kan namelijk niet zonder meer worden afgeleid of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene over dat vermogen in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat het door de rechtspersonen verkregen voordeel als daadwerkelijk door hemzelf wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegerekend.

Daarmee bouwt de Hoge Raad voort op de in HR 2022:840 ingezette lijn waarin het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel vooropstaat: ontnomen kan alleen worden wat de betrokkene zelf daadwerkelijk heeft genoten, niet wat als boekhoudkundige opbrengst in de rechtspersoon is achtergebleven. Formele of materiële zeggenschap en de theoretische beschikkingsmacht over het vennootschapsvermogen vormen daarvoor noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarden. Vereist is dat het hof concreet motiveert dat en in welke mate de betrokkene over dat vermogen vrijelijk en ten eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken. Het eerste middel slaagt.

Het tweede middel laat de Hoge Raad onbesproken, omdat bespreking gelet op de te nemen beslissing niet nodig is. Anders dan de advocaat-generaal in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:228) heeft bepleit, komt de Hoge Raad niet tot algehele vernietiging. De vernietiging blijft beperkt tot de schatting van het aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover die ziet op component 1. Voor het overige wordt het beroep verworpen. De zaak wordt in zoverre teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op dat onderdeel opnieuw wordt berecht en afgedaan. De bestreden uitspraak van het hof Amsterdam is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2024:1639.

Het arrest is gewezen door vicepresident V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^