Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven bij profijtontneming
/Hoge Raad 26 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:790
Dit arrest betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het medeplegen van het (voorbereiden van het) invoeren van cocaïne, waarbij het gerechtshof Den Haag de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling van € 45.000 aan de Staat. Het tweede en het derde cassatiemiddel klagen over het oordeel van het hof dat het geld voor de aankoop van een BMW en een Audi A3 aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven zijn. Het hof neemt uitgaven van € 17.000 en € 8.000 in aanmerking en baseert zich op de kentekenregistratie als voor tegenspraak vatbare aanwijzing en op het ontbreken van enige administratie van de gestelde autohandel. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel toereikend is gemotiveerd, verklaart de overige middelen af op grond van artikel 81 lid 1 RO en stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn is overschreden zonder daaraan gevolg te verbinden. De Hoge Raad verwerpt het beroep, anders dan de advocaat-generaal die tot vernietiging en terugwijzing concludeert.
Achtergrond
De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene is een natuurlijk persoon, geboren in 1986. Het wederrechtelijk verkregen voordeel vloeit voort uit het medeplegen van het (voorbereiden van het) invoeren van cocaïne. Het gerechtshof Den Haag legt de betrokkene bij arrest van 3 november 2023, nummer 22-005188-19, de verplichting op tot betaling van € 45.000 aan de Staat en bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling op 900 dagen. De in de samenhangende strafzaak opgelegde straf blijkt niet uit deze ontnemingsuitspraak; de strafzaak is bij de Hoge Raad aanhangig onder nummer 23/04513.
Het beroep in cassatie is ingesteld door de betrokkene. Namens de betrokkene heeft de advocaat M. Goedhart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Cassatiemiddelen
Namens de betrokkene zijn zes cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de betrokkene geen legale contante inkomsten heeft gehad. Het tweede tot en met het zesde middel klagen telkens over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de betrokkene bepaalde uitgaven heeft gedaan.
De Hoge Raad bespreekt het tweede en het derde cassatiemiddel gezamenlijk. Deze middelen klagen over het oordeel van het hof dat het geld dat is gebruikt voor de aankoop van een BMW en een Audi A3 aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven zijn.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2012 tot 29 oktober 2013 legale inkomsten had uit de handel in personenauto's, eerst als particulier en later via een eenmanszaak en een vennootschap onder firma. Ten aanzien van de BMW stelt de betrokkene dat hij deze auto weliswaar op zijn naam heeft gehad, maar dat niet hij, maar zijn latere medevennoot deze auto heeft betaald, en wel voor € 10.000 in plaats van € 17.000, ten behoeve van de nog op te richten vennootschap. Ten aanzien van de Audi A3 stelt de verdediging dat dit geen uitgave van de betrokkene is, maar van de medevennoot, die het aankoopbedrag van € 8.000 contant aan de verkoper heeft betaald als investering in de onderneming. Subsidiair voert de verdediging aan dat de betrokkene de aankopen heeft kunnen doen uit legale inkomsten uit onderneming.
De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad geeft eerst de overwegingen van het hof weer. Het hof heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaven van € 17.000 en € 8.000 in aanmerking genomen vanwege de aankoop door de betrokkene van onderscheidenlijk de BMW en de Audi. Het hof heeft overwogen dat de betrokkene geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van inkomsten van zijn bedrijf, dat er geen begin van administratie is en dat er geen schriftelijke overeenkomsten zijn om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van de betrokkene.
Aan zijn oordeel dat de betrokkene degene is geweest die de BMW voor € 17.000 heeft gekocht van de verkoper, die tot 14 juli 2012 de kentekenhouder was, heeft het hof ten grondslag gelegd dat deze auto op 14 juli 2012 op naam van de betrokkene is geregistreerd en dat de verkoper heeft verklaard dat hij deze auto voor € 17.000 aan een Turkse jongen heeft verkocht. Het hof heeft de stellingen van de betrokkene die erop neerkomen dat niet hij, maar zijn latere medevennoot deze auto voor € 10.000 heeft gekocht, niet aannemelijk geoordeeld. Verder heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de stelling van de betrokkene dat de BMW met winst is verkocht, niet concreet is gemaakt.
Aan zijn oordeel dat de betrokkene degene is geweest die de Audi voor € 8.000 heeft gekocht van de eerdere kentekenhouder, die tot 8 mei 2012 de kentekenhouder was, heeft het hof ten grondslag gelegd dat deze auto op verzoek van de betrokkene na de aankoop eerst is geregistreerd op naam van een derde die de auto nooit in bezit heeft gehad maar wel veel bekeuringen kreeg, en dat de betrokkene de auto vervolgens op 13 augustus 2012 op zijn eigen naam heeft geregistreerd. Daarnaast heeft het hof zijn oordeel erop gebaseerd dat de betrokkene de gebruiker van de auto was, zowel in de periode waarin de auto op naam van die derde stond als in de periode dat de auto op zijn eigen naam was geregistreerd.
De Hoge Raad overweegt dat aan de overwegingen van het hof als uitgangspunt ten grondslag ligt dat de kentekenregistratie een, voor tegenspraak vatbare, aanwijzing is voor wie de auto heeft betaald. Verder ligt aan de overwegingen van het hof ten grondslag dat er geen stukken zijn overgelegd om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van de betrokkene. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de uitgaven die zijn gedaan voor de aankoop van de BMW en de Audi aan de betrokkene moeten worden toegerekend, ook in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, naar het oordeel van de Hoge Raad toereikend gemotiveerd. De cassatiemiddelen falen.
De overige cassatiemiddelen beoordeelt de Hoge Raad eveneens. De uitkomst is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak en dat de Hoge Raad dit oordeel niet hoeft te motiveren, omdat de beoordeling van deze klachten geen antwoord vergt op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81 lid 1 RO).
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit hoeft niet tot cassatie te leiden. Omdat ook in de samenhangende strafzaak, aanhangig onder nummer 23/04513, de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en in die zaak zal worden beoordeeld of die overschrijding tot compensatie moet leiden, volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daaraan een ander rechtsgevolg te verbinden.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep. De beslissing wijkt af van de conclusie van de advocaat-generaal, die tot vernietiging en terugwijzing strekt.
