HR: Maatstaf beoordeling tegenonderzoek

Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:820

Het beoordelingskader voor een verzoek om tegenonderzoek begint bij het uitgangspunt dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, zodat voor een eerste verzoek tot tegenonderzoek in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang mag worden verlangd. De verdediging moet daarbij wel aanduiden welke onderdelen van de deskundigenverklaring zij betwist, en kan worden gevraagd toe te lichten waarom toetsing bij voorkeur via een tegenonderzoek moet plaatsvinden in plaats van langs een andere weg, zoals het horen van de deskundige of een nader rapport. Is een eerder verzoek om tegenonderzoek al toegewezen en dat onderzoek uitgevoerd, dan mag bij een volgend verzoek om de betrouwbaarheid van zowel de eerste verklaring als het tegenonderzoek te onderzoeken wel een nadere onderbouwing van het belang worden verlangd. Uit die motivering moet blijken dat en waarom de verdediging met het eerdere onderzoek geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de eerste deskundigenverklaring te toetsen. In de regel is daaraan voldaan als voldoende is onderbouwd dat er concrete aanwijzingen zijn dat ook na het verrichte tegenonderzoek geen betrouwbaar onderzoeksresultaat beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het onderzoek niet aan de vakinhoudelijke eisen voldoet.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Twaalf jaren verstreken: Hoge Raad verklaart OM niet-ontvankelijk voor drie verduisteringen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:772

De Hoge Raad bevestigt dat verduistering in de zin van artikel 321 Sr na twaalf jaren absoluut verjaart op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° Sr juncto artikel 72 lid 2 Sr. Voor drie tenlastegelegde verduisteringen uit 2010 en 2011 vangt de verjaringstermijn aan op 17 november 2011, de dag na het laatste bewezenverklaarde feit, omdat aanknopingspunten voor een voortdurend delict ontbreken. De absolute termijn verstrijkt daarmee op 16 november 2023, ruim vóór het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025. De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging van die drie feiten en wijst de zaak terug voor een nieuwe strafoplegging voor het resterende feit uit 2015. Het arrest onderstreept dat bij het ontbreken van indicaties voor voortduring de aanvang van de verjaring strikt op grond van artikel 71 Sr wordt bepaald.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afhaler bij de AKO op Schiphol: Hoge Raad herhaalt overwegingen m.b.t. medeplegen en i.h.b. afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en m.b.t. rol die proceshouding van verdachte kan spelen

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:770

De Hoge Raad herhaalt voor de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid de vooropstelling uit HR 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1316) en bevestigt dat ook de procesopstelling van de verdachte bij de beoordeling van het gewicht van zijn bijdrage een rol mag spelen. Onder verwijzing naar HR 29 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:97) overweegt de Hoge Raad dat het zwijgrecht onverkort geldt, maar dat het uitblijven van een aannemelijke, ontzenuwende verklaring voor redengevende feiten en omstandigheden in het bewijsoordeel kan worden betrokken. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden ambtshalve verminderd tot elf maanden en twee weken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoger beroep mag niet leiden tot een hogere straf via de achterdeur

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:773

De Hoge Raad casseert een arrest van het hof 's-Hertogenbosch over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv in een hennepzaak. De rechtbank legde voor twee feiten gezamenlijk zes maanden gevangenisstraf op, waarna het hoger beroep werd beperkt tot het telen van een grote hoeveelheid hennep. Het hof veroordeelde voor dat feit tot zes maanden gevangenisstraf en bepaalde voor het aanwezig hebben van hennep daarnaast nog vijf weken extra. De Hoge Raad oordeelt dat die strafbepaling onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voor beide feiten één gezamenlijke hoofdstraf had uitgesproken. De zaak wordt teruggewezen voor een nieuwe strafoplegging en strafbepaling conform de uitleg van artikel 423 lid 4 Sv.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verkorte termijn voor cassatieschriftuur geldt ook bij afgewezen verschoningsrecht

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:764

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van een klager tegen een beslagbeschikking niet-ontvankelijk wegens een te laat ingediende schriftuur. De klager, werkzaam als directeur en 'legal expert' bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland, beriep zich op een zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van onder hem in beslag genomen iPhones, een MacBook en een iPad. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 31 maart 2025 dat hem dat verschoningsrecht niet toekomt. De Hoge Raad bevestigt dat de verkorte cassatietermijn van veertien dagen uit artikel 447 lid 5 jo. 552d lid 3 Sv ook geldt als de rechtbank het beroep op het verschoningsrecht heeft afgewezen. Nu de schriftuur na 27 november 2025 pas op 19 december 2025 is ingediend, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Toerekening van wederrechtelijk voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leider: materiële zeggenschap is niet genoeg

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691

In dit arrest verduidelijkt de Hoge Raad de motiveringseisen bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leidinggevende natuurlijke persoon in de trustsector. Het hof Amsterdam had EUR 1.688.200 aan voordeel uit inhousevennootschappen aan de betrokkene toegerekend op grond van diens materiële zeggenschap, maar de Hoge Raad oordeelt dat die motivering ontoereikend is. Mede gelet op het reparatoire karakter van artikel 36e Sr moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. De enkele vaststelling dat hij over het vennootschapsvermogen kon beschikken volstaat niet; vereist is dat hij daarover vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

AG: inzet Awb-toezichtbevoegdheden bij integrale controle levert geen vormverzuim op

AG Paridaens concludeert in een cassatiezaak naar aanleiding van een integrale controle in Wijchen, waarbij in een bedrijfspand een drugslab werd aangetroffen. De verdediging stelde dat de gemeente haar bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden had misbruikt voor strafrechtelijke doeleinden en bepleitte op die grond bewijsuitsluiting. Volgens de AG levert het enkele feit dat sprake is van signalen van ondermijning en samenwerking met de politie geen schending van artikel 1:6 Awb op. Pas wanneer toezichtbevoegdheden uitsluitend voor opsporing in de zin van artikel 132a Sv worden ingezet, ontstaat een vormverzuim, en daarvan is bij een integrale controle niet snel sprake. De Hoge Raad doet naar verwachting op 7 juli 2026 uitspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Post-Jaddoe en artikel 81 RO: de AG spreekt, de Hoge Raad zwijgt

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:675

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een hoofdagent van de Politie Eenheid Rotterdam die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), schending van ambtsgeheim (artikel 272 Sr) en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine (artikel 2 onder C Opiumwet). De inhoudelijke meerwaarde zit in de conclusie van advocaat-generaal Van Kampen, die de afdoening op artikel 81, eerste lid, RO uitdrukkelijk positioneert ten opzichte van het post-Jaddoe-arrest (HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40) en HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110: een vrijspraak in eerste aanleg staat volgens haar niet in de weg aan een afdoening op artikel 81 RO wanneer die vrijspraak louter berust op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging en de feitelijke gedragingen wel zijn vastgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Valse rompnummers alleen zijn onvoldoende voor onttrekking aan het verkeer

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:624

De Hoge Raad vernietigt een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij twee sloepen met valse WIN-rompnummers op grond van artikel 36d Sr aan het verkeer waren onttrokken. Volgens de Hoge Raad moet de rechter bij een afzonderlijke beschikking ex artikel 36b lid 1 onder 4° Sr vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een door artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. De rechtbank had niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit de sloepen in verband stonden, terwijl de oncontroleerbaarheid van herkomst en eigendom op zichzelf onvoldoende is. Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd en het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Een grap met fataal gevolg: voorwaardelijk opzet bij schot uit vermeend beveiligd vuurwapen

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689

In dit arrest bevestigt de Hoge Raad de veroordeling voor doodslag van een verdachte die op 7 juli 2020 in Arnhem zijn partner doodschoot met een vuurwapen dat volgens hem op de veiligheidspal stond. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf voor voorwaardelijk opzet uit HR 25 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AE9049) en HR 9 november 1954 (ECLI:NL:HR:1954:1) over de aanmerkelijke kans en de bewuste aanvaarding daarvan. Het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood had door met een schietklaar, geladen wapen op het slachtoffer te richten en de trekker over te halen zonder veiligheidschecks, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^