Valse rompnummers alleen zijn onvoldoende voor onttrekking aan het verkeer

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:624

De Hoge Raad vernietigt een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij twee sloepen met valse WIN-rompnummers op grond van artikel 36d Sr aan het verkeer waren onttrokken. Volgens de Hoge Raad moet de rechter bij een afzonderlijke beschikking ex artikel 36b lid 1 onder 4° Sr vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een door artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. De rechtbank had niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit de sloepen in verband stonden, terwijl de oncontroleerbaarheid van herkomst en eigendom op zichzelf onvoldoende is. Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd en het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

Achtergrond

Op 13 maart 2024 vindt bij de klaagster, een rechtspersoon gevestigd in een door de uitspraak niet nader genoemde plaats, een nautische registercontrole plaats. Tijdens die controle blijken de Watercraft Identification Numbers (WIN-nummers) van twee sloepen, een Solent en een Garda, niet te kloppen. Op 15 mei 2024 worden beide vaartuigen in beslag genomen, waarna de klaagster als bewaarder van de sloepen wordt aangesteld. De klaagster doet geen afstand van de sloepen.

Uit het proces-verbaal identificatieonderzoek van 4 april 2024 ten aanzien van de Solent blijkt dat het WIN niet is aangebracht zoals de fabrikant dit standaard doet, dat de combinatie van cijfers en letters wijst op een vervalsing en dat het door de fabrikant gebruikelijk aangebrachte tweede WIN ontbreekt. Bovendien telt het rompnummer slechts dertien in plaats van veertien tekens, terwijl het tiende teken onleesbaar is. De Solent is door de klaagster, via een tussenpersoon, voor EUR 2.000 gekocht van een particulier. Een voormalig medewerker van de bouwer verklaart dat het WIN destijds met de hand werd ingeslagen en dat het mogelijk is dat hij daarbij een fout heeft gemaakt; volgens de klaagster is de sloep blijkens de laatste twee cijfers van het WIN in 1999 gebouwd en sindsdien probleemloos in de vaart geweest, met een verzekering sinds 2009.

De Garda is voor EUR 2.500 gekocht van een onderhoudsbedrijf dat de sloep sinds 1 juli 2016 in onderhoud en winterstalling had. Het rompnummer van de Garda is niet geheel leesbaar; alleen een gedeelte is nog te ontwaren. Volgens een namens de klaagster aangehaalde betrokkene is in de eigen registratie van het onderhoudsbedrijf op enig moment een fout geslopen door een C als L te noteren. Het door de fabrikant gebruikelijk aangebrachte, niet zonder schade verwijderbare duplicaat-WIN is door de verbalisant niet aangetroffen. Beide verbalisanten concluderen dat de sloepen door het ontbreken van de originele identificerende kenmerken niet zijn te identificeren.

Het Openbaar Ministerie besluit geen vervolging in te stellen, maar de officier van justitie volhardt in een vordering op grond van artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering tot onttrekking aan het verkeer. Volgens de officier is een dergelijk vaartuig bestemd tot het begaan van het strafbare feit als bedoeld in artikel 220 en/of artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht, en is het ongecontroleerde bezit ervan in strijd met de wet en het algemeen belang. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam wijst de vordering bij beschikking van 2 januari 2025 (zaaknummer RK 24/024039) toe. De rechtbank overweegt dat de rompnummers niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, dat zij ook niet uit de overgelegde administratie kunnen worden afgeleid en dat de sloepen niet in aanmerking komen voor herinslag van de rompnummers. Aangezien de rompnummers niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld, zijn de herkomst en de eigendom van de sloepen volgens de rechtbank oncontroleerbaar, waardoor het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Omdat in deze procedure sprake is van een afzonderlijke beschikking ex artikel 552f Sv en niet van een strafvonnis, blijken uit de uitspraak geen veroordeling, geen bewezenverklaring en geen opgelegde straf. Voor zover de uitspraak daarover informatie bevat, gaat het uitsluitend om de mededeling van de officier van justitie dat geen vervolging zal worden ingesteld. De vestigingsplaats van de klaagster is in de gepubliceerde versie van de uitspraak geanonimiseerd.

Cassatiemiddel

Namens de klaagster stelt advocaat T. Straten te Maastricht beroep in cassatie in en dient één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de twee inbeslaggenomen sloepen. De kern van de klacht ziet op de motivering van de beschikking van de rechtbank: heeft de rechtbank toereikend tot uitdrukking gebracht dat de sloepen in een door artikel 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht beschreven verband staan tot een begaan strafbaar feit? De advocaat-generaal M.E. van Wees concludeert in ECLI:NL:PHR:2026:163 tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, opdat de bestaande vordering opnieuw wordt beoordeeld en afgedaan.

Beoordeling door de Hoge Raad

De Hoge Raad zet eerst het wettelijk kader uiteen. Op grond van artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr kan onttrekking aan het verkeer worden opgelegd bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie. Artikel 36c Sr regelt welke voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer wanneer zij in een bepaald verband staan tot het feit, bijvoorbeeld omdat zij door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen, omdat het feit met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, omdat zij hebben gediend om het feit te begaan of voor te bereiden, omdat zij zijn gebruikt om de opsporing te belemmeren, of omdat zij tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd. Artikel 36d Sr bepaalt dat ook voorwerpen die aan de dader of verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane of verdachte feit zijn aangetroffen, vatbaar zijn voor onttrekking, mits zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot belemmering van de opsporing daarvan. In beide bepalingen geldt bovendien als eis dat de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

In rechtsoverweging 2.4 verduidelijkt de Hoge Raad dat met het begrip ‘feit’ in artikel 36c en 36d Sr een begaan strafbaar feit wordt bedoeld. De rechter die op de voet van artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr bij afzonderlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer oplegt, zal dus moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een door artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. De Hoge Raad knoopt daarbij uitdrukkelijk aan bij zijn eerdere beschikking van 25 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:37), waarin dezelfde maatstaf is geformuleerd.

Vervolgens toetst de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5.1 de motivering van de rechtbank aan dat kader. Bij haar oordeel dat de inbeslaggenomen sloepen op grond van artikel 36d Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, heeft de rechtbank niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit deze sloepen in verband staan. De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheid dat de rompnummers van de sloepen niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld, waardoor de herkomst en de eigendom van de sloepen oncontroleerbaar zijn, volstaat volgens de Hoge Raad niet voor dat oordeel. Met andere woorden: de enkele constatering dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang ontslaat de rechter niet van de plicht om het wettelijk vereiste verband met een begaan strafbaar feit vast te stellen. Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^