Een grap met fataal gevolg: voorwaardelijk opzet bij schot uit vermeend beveiligd vuurwapen
/Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689
In dit arrest bevestigt de Hoge Raad de veroordeling voor doodslag van een verdachte die op 7 juli 2020 in Arnhem zijn partner doodschoot met een vuurwapen dat volgens hem op de veiligheidspal stond. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf voor voorwaardelijk opzet uit HR 25 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AE9049) en HR 9 november 1954 (ECLI:NL:HR:1954:1) over de aanmerkelijke kans en de bewuste aanvaarding daarvan. Het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood had door met een schietklaar, geladen wapen op het slachtoffer te richten en de trekker over te halen zonder veiligheidschecks, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Achtergrond
In dit arrest staat de Hoge Raad stil bij de vraag of voorwaardelijk opzet op de dood kan worden aangenomen wanneer de verdachte stelt te hebben gehandeld in het kader van een grap en ervan is uitgegaan dat het vuurwapen op de veiligheidspal stond. Het gaat om een natuurlijk persoon, geboren in 1982, die op 7 juli 2020 in Arnhem zijn partner met een vuurwapen heeft doodgeschoten. Het slachtoffer is geboren in 1989 en was op het moment van overlijden 31 jaar oud.
Op de ochtend van 7 juli 2020 zijn de verdachte en het slachtoffer samen in de slaapkamer van hun appartement. De moeder van het slachtoffer is eveneens in de woning aanwezig, in de woonkamer aan de overzijde van het gangetje. Volgens de verdachte maken hij en het slachtoffer grappen over het vuurwapen dat in de badkamer ligt. Hij loopt naar de badkamer, pakt het wapen, opent de badkamerdeur en richt het wapen met gestrekte rechterarm op het slachtoffer met de uitgesproken bedoeling haar te laten schrikken. Het wapen gaat af en het slachtoffer wordt in het bovenlichaam getroffen. Zij overlijdt enkele uren later in het Radboudumc. Uit het pathologieonderzoek volgt dat het overlijden wordt verklaard door de gevolgen van één inschot van de romp, met onder meer perforaties van de milt, beide longen en de lichaamsslagader. Wapendeskundige van het NFI heeft vastgesteld dat het wapen niet zonder het overhalen van de trekker kan afgaan, en dat zowel de trekkerveiligheid als de hamerveiligheid naar behoren functioneren.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt de verdachte bij arrest van 13 november 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:6919) primair voor doodslag in de zin van artikel 287 Sr en voor overtreding van artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, betrekking hebbend op een vuurwapen van categorie III. Het hof legt een gevangenisstraf op van acht jaren, met aftrek van voorarrest in de zin van artikel 27 lid 1 Sr. Het hof beslist tevens op de vorderingen van de benadeelde partijen en beveelt onttrekking aan het verkeer van het pistool en de bijbehorende munitie. Bij akte van partiële intrekking is het cassatieberoep beperkt tot de veroordeling voor doodslag; de vrijspraak van de impliciet primair tenlastegelegde moord blijft dus buiten het cassatieberoep.
Middel
Namens de verdachte is door advocaat N. van Schaik één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het opzet op de dood, in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust heeft aanvaard, terwijl het hof tegelijk heeft vastgesteld dat de verdachte ervan uitging dat het wapen op de veiligheidspal stond. Volgens de steller van het middel verdraagt deze vaststelling zich niet met het aannemen van voorwaardelijk opzet, omdat in dat geval eerder sprake zou zijn van bewuste schuld dan van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood.
Daarnaast heeft de advocaat van de benadeelde partij, M. Ferwerda, een afzonderlijke schriftuur ingediend op de voet van artikel 437 lid 3 Sv. Namens de verdachte is daarop een verweerschrift ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes. De Hoge Raad beoordeelt deze schriftuur afzonderlijk.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt allereerst de relevante overwegingen uit zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, en uit zijn arrest van 9 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:1, over het voorwaardelijk opzet op een gevolg, de maatstaf van de aanmerkelijke kans en de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van die kans. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood, is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Onder de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze maatstaf is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gehanteerde formulering van de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans. Algemene regels over de exacte grootte van die kans, laat staan een percentage, geeft de Hoge Raad niet.
Vervolgens herinnert de Hoge Raad aan de regel dat uit de enkele wetenschap van de aanmerkelijke kans niet zonder meer kan volgen dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Of in een concreet geval sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet, hangt af van de feitelijke omstandigheden, waarbij de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zij is verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Aan de hand van deze maatstaf toetst de Hoge Raad het oordeel van het hof. De bewijsvoering komt erop neer dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat het vuurwapen een echt en functionerend wapen was, dat geladen was met scherpe patronen, en dat het schietklaar was. Het hof heeft tevens vastgesteld dat de verdachte, nadat hij met gestrekte arm het wapen op het slachtoffer had gericht, de trekker heeft overgehaald. Het hof oordeelt dat het samenstel van deze gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het fatale gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. Dat geldt volgens het hof ook wanneer het overhalen van de trekker plaatsvond in het kader van een grap en de verdachte eerder had gehoord, en er daarom van uitging, dat het wapen op een veiligheidspal stond.
In rechtsoverweging 2.4.2 oordeelt de Hoge Raad dat dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij is van belang dat in de overwegingen van het hof als oordeel besloten ligt dat de verdachte wist dat het ging om een gevaarlijk voorwerp in de vorm van een geladen vuurwapen, en dat hij, door niet na te gaan of het wapen op de veiligheidspal stond en geen andere veiligheidschecks uit te voeren, ook wist dat niet was uitgesloten dat het wapen zou kunnen afgaan. Daarmee heeft hij de aanmerkelijke kans dat hij, door richtend op het slachtoffer de trekker over te halen, het slachtoffer dodelijk zou raken, bewust aanvaard. De klacht over het opzet faalt. De overige klachten in het middel kunnen evenmin tot vernietiging leiden en worden door de Hoge Raad afgedaan op de voet van artikel 81 lid 1 RO.
Over de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur overweegt de Hoge Raad dat hij als cassatierechter alleen cassatiemiddelen onderzoekt zoals in de wet bedoeld. Dit geldt ook voor cassatiemiddelen op de voet van artikel 437 lid 3 Sv. Als zodanig kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt dat de vordering van de benadeelde partij betreft. De ingediende schriftuur voldoet niet aan dit vereiste en blijft daarom onbesproken.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en het wijzen van het arrest meer dan zestien maanden zijn verstreken, terwijl de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren naar zeven jaren en elf maanden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verwerpt het beroep voor het overige. De conclusie van advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen (ECLI:NL:PHR:2026:232) strekte tot verwerping van het beroep en wordt op het punt van het opzet gevolgd.
Het arrest bevestigt dat ook de schutter die zegt te hebben gehandeld in het kader van een grap en die meent dat het wapen op de veiligheidspal staat, niet ontkomt aan het aannemen van voorwaardelijk opzet wanneer hij geen enkele veiligheidscheck uitvoert en met een schietklaar, geladen vuurwapen op een ander richt en de trekker overhaalt. De wetenschap dat sprake is van een functionerend, geladen vuurwapen in combinatie met het uitblijven van controle of het wapen daadwerkelijk beveiligd is, brengt mee dat de verdachte op de koop toeneemt dat het wapen kan afgaan en dat het slachtoffer dodelijk wordt getroffen.
Lees hier de volledige uitspraak.
