Post-Jaddoe en artikel 81 RO: de AG spreekt, de Hoge Raad zwijgt
/Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:675
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een hoofdagent van de Politie Eenheid Rotterdam die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor computervredebreuk (artikel 138ab Sr), schending van ambtsgeheim (artikel 272 Sr) en het aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine (artikel 2 onder C Opiumwet). De inhoudelijke meerwaarde zit in de conclusie van advocaat-generaal Van Kampen, die de afdoening op artikel 81, eerste lid, RO uitdrukkelijk positioneert ten opzichte van het post-Jaddoe-arrest (HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40) en HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110: een vrijspraak in eerste aanleg staat volgens haar niet in de weg aan een afdoening op artikel 81 RO wanneer die vrijspraak louter berust op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging en de feitelijke gedragingen wel zijn vastgesteld.
De Hoge Raad volgt de afdoeningsroute, maar laat zich over deze afbakening niet uit en doet de drie bewijsklachten zonder motivering af; aan dat zwijgen kan geen impliciet rechtsoordeel worden ontleend. De vierde klacht over uitblijvend NFI-onderzoek naar fenacetine voldoet niet aan de eisen van een stellige en duidelijke klacht en blijft onbesproken. Voor de cassatiepraktijk is de conclusie van het parket een nuttige vindplaats over de reikwijdte van post-Jaddoe, maar geen geldend recht.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1989, en ten tijde van de tenlastegelegde feiten werkzaam als Generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP) in de rang van hoofdagent bij de Politie Eenheid Rotterdam. Bij arrest van 30 april 2024 veroordeelt het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22-001592-22) hem voor drie feiten. Het gaat om computervredebreuk, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 138ab, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (feit 2), om de opzettelijke schending van enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, eveneens meermalen gepleegd, als bedoeld in artikel 272, eerste lid, Sr (feit 3), en om het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, namelijk het aanwezig hebben van 13 ponypacks (totaal 1,679 gram) cocaïne en 9,274 gram fenacetine (feit 4). De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 81 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
Aan de bewezenverklaring ligt onderzoek Corsica ten grondslag, waarin een hoeveelheid PGP-berichten is ontsleuteld. De berichtenuitwisseling tussen twee PGP-accounts leidt tot een onderzoek naar de mogelijke omkoping van een politieambtenaar die tegen betaling vertrouwelijke informatie zou lekken naar het criminele circuit. Vergelijking van de PGP-communicatie met de loggegevens van de bedrijfsprocessensystemen van de Nationale Politie laat zien dat de bevragingen telkens hebben plaatsgevonden vanaf het account van de verdachte, in de periode van 14 september 2015 tot en met 28 december 2015. De cocaïne en fenacetine worden enkele jaren later, op 22 mei 2020, bij hem aangetroffen.
Voor wat in cassatie speelt, is een bijzonderheid uit de eerste aanleg cruciaal. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van (onder meer) de in hoger beroep onder feit 2 en feit 4 bewezenverklaarde feiten, en veroordeelt hem alleen voor feit 3. Wat opvalt, is dat de rechtbank in haar vonnis wel als vaststaand heeft aangenomen dat de verdachte de gedragingen die het hof later onder feit 2 bewezen verklaart, heeft begaan. Dat de rechtbank toch tot een integrale vrijspraak komt, berust op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging: de strafverzwarende omstandigheid van artikel 138ab, tweede lid, Sr stond volgens de rechtbank niet vast, en zij meende dat dit ook tot vrijspraak van het in lid 1 omschreven gronddelict moest leiden. Het hof heeft dat anders gezien. Van het onder feit 1 tenlastegelegde, dat ziet op ambtelijke omkoping, is de verdachte zowel door de rechtbank als door het hof vrijgesproken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat A. Jhingoer dient een schriftuur in waarin een algemene cassatieklacht wordt geformuleerd dat het hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd, althans is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Daarna volgen drie middelen die zich richten tegen de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3, en een vierde middel dat ziet op feit 4. Advocaat-generaal P.T.C. van Kampen concludeert tot verwerping van het beroep.
Middelen
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof, dat de gebruiker van het ontvangende PGP-account de informatie uit de politiesystemen heeft verkregen van de verdachte, onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt onder meer dat telefonisch contact tussen de verdachte en die persoon niet tot een concrete ontmoeting heeft geleid en dat van een fysieke overdracht van geprinte stukken geen bewijs in het dossier is.
Tweede middel
Het tweede middel keert zich tegen het oordeel dat het de verdachte zelf is geweest die de bevragingen in de politiesystemen heeft gedaan. De steller verwijst naar dossierstukken en getuigenverklaringen die in zijn visie ontlastend zouden zijn en die volgens hem onvoldoende zouden zijn weersproken door het hof.
Derde middel
Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte de bevragingen mogelijk te goeder trouw heeft verricht op verzoek van een andere politiemedewerker, bijvoorbeeld in de rol van assistent-wachtcommandant. Volgens de steller mag, gelet op het tijdsverloop sinds het najaar van 2015 en de grote hoeveelheid bevragingen die de verdachte als hoofdagent heeft verricht, niet van hem worden verwacht dat hij specifiek een collega of ketenpartner aanwijst die hem die opdracht zou hebben gegeven.
Vierde middel
De vierde, als cassatiemiddel gepresenteerde klacht ziet op feit 4. Gesteld wordt dat voor de fenacetine slechts een indicatieve analyse is uitgevoerd door een verbalisant met een Raman Spectroscopisch onderzoek en dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten de fenacetine nader te laten onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut. Waar het volgens de steller in de uitspraak van het hof precies aan zou schorten, wordt evenwel niet toegelicht.
Conclusie advocaat-generaal: het post-Jaddoe-vraagstuk
De conclusie van advocaat-generaal Van Kampen is, anders dan het arrest, op één punt principieel interessant. Zij is geen oordeel van de Hoge Raad, maar bevat een zelfstandige analyse die de Hoge Raad in zijn beoordeling heeft kunnen meewegen. De AG werpt zelf de vraag op of een afdoening op artikel 81, eerste lid, RO in deze zaak wel passend is. Het tweede en derde cassatiemiddel richten zich immers tegen vaststellingen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van feit 2, en juist van dat feit had de rechtbank in eerste aanleg integraal vrijgesproken. Onder verwijzing naar het post-Jaddoe-arrest van 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40 en naar HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110 met de daaraan voorafgaande conclusie van AG Paridaens (ECLI:NL:PHR:2025:599), wijst zij erop dat in dat type gevallen een afdoening met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO minder in de rede ligt. De ratio is dat een vrijspraak in eerste aanleg gewicht in de schaal kan leggen wanneer de cassatieklachten zich richten tegen de wending die het hof aan diezelfde feiten heeft gegeven.
Voor de onderhavige zaak ziet zij dat anders. De rechtbank heeft hier in haar vonnis namelijk wel als vaststaand aangenomen dat de verdachte de in hoger beroep onder feit 2 bewezenverklaarde gedragingen heeft begaan. De vrijspraak berust louter op een aanvechtbare uitleg van de tenlastelegging in samenhang met het wegvallen van de strafverzwarende omstandigheid uit artikel 138ab, tweede lid, Sr. Daarmee is volgens de AG geen sprake van een Jaddoe-achtige situatie waarin een rechter in eerste aanleg op de feitelijke grondslag tot een ander oordeel kwam dan het hof. De feitelijke gedragingen zijn in eerste aanleg en in hoger beroep gelijkluidend vastgesteld; het verschil zit uitsluitend in de juridische uitleg. Een afdoening op artikel 81, eerste lid, RO ligt daarmee, anders dan in echte post-Jaddoe-gevallen, juist wel in de rede.
Daarnaast valt de AG bij de eerste drie middelen op dat in cassatie feiten en omstandigheden worden aangevoerd die in hoger beroep niet (in die vorm) door de verdediging zijn voorgelegd aan het hof. De stelling in het eerste middel dat de verdediging zou hebben aangevoerd dat telefonisch contact niet tot een ontmoeting heeft geleid, kan zij in het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2024 niet thuisbrengen. De middelen miskennen daarmee in haar visie het karakter van de cassatieprocedure, waarin geen ruimte bestaat om feiten aan te voeren die niet eerder zijn ingebracht. Inhoudelijk acht zij het oordeel van het hof, ook bij het derde middel, toereikend gemotiveerd: de verdediging heeft niet meer dan de kale mogelijkheid van een rol als wachtcommandant naar voren gebracht, terwijl enkele bevragingen buiten diensttijd zijn gedaan.
Ten aanzien van de vierde klacht stelt de AG vast dat deze niet voldoet aan de eisen van een cassatiemiddel in de zin van artikel 437, tweede lid, Sv. Ten overvloede merkt zij op dat fenacetine zelf niet vermeld is in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dat het in de praktijk wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne, en dat het hof de stof kennelijk in de bewezenverklaring heeft opgenomen omdat de verdachte de fenacetine tezamen met de ponypacks cocaïne aanwezig heeft gehad. Ambtshalve signaleert zij ten slotte dat de redelijke termijn voor de behandeling in cassatie zou worden overschreden indien de Hoge Raad later dan 9 mei 2026 uitspraak zou doen.
Beoordeling Hoge Raad: een resultaat zonder rechtsoordeel
De Hoge Raad volgt de conclusie in de uitkomst en doet de eerste drie cassatiemiddelen af met de standaardformulering die past bij toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Hij overweegt dat hij de klachten heeft beoordeeld, dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak en dat een nadere motivering niet nodig is omdat geen vragen aan de orde zijn die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. De feitelijke vaststelling van het hof, dat de verdachte zelf de bevragingen heeft verricht en dat hij de daaruit verkregen informatie heeft verschaft aan de derde achter het PGP-account, blijft daarmee in stand.
Wat de Hoge Raad expliciet niet doet, is zich uitspreken over het door de AG opgeworpen Jaddoe-vraagstuk. Hij neemt het onderscheid dat de AG maakt tussen een vrijspraak op feitelijke gronden en een vrijspraak op grond van uitleg van de tenlastelegging niet over, hij verwijst er niet naar en hij motiveert ook overigens niet waarom artikel 81 RO hier in zijn ogen geschikt is. Daarmee is het arrest op dit punt een resultaat zonder dragend rechtsoordeel. De Hoge Raad heeft zelf herhaaldelijk benadrukt dat aan een artikel 81 RO-afdoening geen impliciet rechtsoordeel kan worden ontleend, en die terughoudendheid moet ook hier in acht worden genomen. Dat de Hoge Raad de afdoeningsroute volgt die de AG voorstelt, betekent niet dat hij de redenering van de AG tot de zijne maakt. Andere lezingen blijven mogelijk: dat hij de zaak hoe dan ook niet als post-Jaddoe-achtig zag, of dat hij de middelen op andere gronden zo zwak achtte dat de afdoeningsroute geen serieus probleem opleverde.
Voor de vierde klacht spreekt de Hoge Raad zich wel inhoudelijk uit, zij het op formele grond. Hij herhaalt zijn vaste leer dat hij als cassatierechter alleen cassatiemiddelen, dat wil zeggen klachten zoals in de wet bedoeld, onderzoekt. Als zodanig middel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in het vierde cassatiemiddel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste en moet daarom onbesproken blijven. De inhoudelijke kanttekening over fenacetine als versnijdingsmiddel die de AG ten overvloede maakt, neemt de Hoge Raad niet over.
De Hoge Raad verwerpt het beroep. Daarmee blijft de veroordeling in stand, met de daarbij door het hof opgelegde gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 81 voorwaardelijk en de taakstraf van 120 uren. Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.
Betekenis voor de praktijk
Voor de cassatiepraktijk is deze zaak in twee opzichten interessant, maar de signaalwaarde moet nauwkeurig worden gewogen. De inhoudelijke verfijning van de post-Jaddoe-rechtspraak komt geheel uit het parket, niet uit de Hoge Raad. De AG bouwt een fijnmazig onderscheid: de scheidslijn ligt niet bij het feit dat de rechtbank vrijsprak, maar bij de grond waarop die vrijspraak rust. Heeft de rechtbank de feitelijke gedragingen als vaststaand aangenomen en is haar vrijspraak in wezen een uitleg van de tenlastelegging, dan blijft artikel 81 RO ook in cassatie tegen het arrest van het hof in haar visie bruikbaar. Heeft de rechtbank op de feitelijke grondslag tot een wezenlijk andere appreciatie geleid, dan wordt de drempel hoger. Dat is een aantrekkelijk onderscheid; of de Hoge Raad het ook zo ziet, blijkt uit dit arrest niet.
Wie deze zaak in een schriftuur wil aanhalen, moet daarom zorgvuldig zijn. De redenering van de AG is geen geldend recht. Zij is een beargumenteerd voorstel van het parket, in resultaat door de Hoge Raad gevolgd, maar zonder enige expliciete onderschrijving. Voor de pleitpraktijk levert dat twee voorzichtige observaties op. De eerste is dat het parket post-Jaddoe blijkens deze conclusie niet zo ruim leest dat élke vrijspraak in eerste aanleg een artikel 81 RO-afdoening problematisch maakt; wie op die enkele grond hoopt op een uitvoerig gemotiveerd arrest, zal het bij dit type vrijspraak waarschijnlijk niet krijgen. De tweede is dat de Hoge Raad zélf zich nog niet heeft uitgesproken over deze afbakening en daar in een toekomstig arrest mogelijk anders mee om kan gaan. Voor wie de post-Jaddoe-rechtspraak volgt, is deze conclusie dus vooral een vindplaats om te bewaren, niet een rechtsoordeel om op te leunen.
Daarnaast bevestigt deze zaak twee bekende lijnen die in de schriftuur door alle vier de middelen heen zichtbaar zijn. In cassatie kunnen geen nieuwe feiten worden aangevoerd die in hoger beroep niet bij wijze van verweer aan het hof zijn voorgelegd. En een klacht die niet als stellige en duidelijke klacht over een rechtsregel of vormvoorschrift kan worden gelezen, geldt niet als cassatiemiddel in de zin van artikel 437, tweede lid, Sv. Beide lijnen zijn welbekend, maar deze zaak laat zien hoe zij in een dossier dat op het eerste gezicht inhoudelijk rijk is, aan vier middelen tegelijk de wind uit de zeilen kunnen nemen.
Lees hier de volledige uitspraak.
