Ontnemingsvordering als vangnet bij grootschalige bankhelpdeskfraude strandt op verdelingsvraagstuk

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:813

De rechtbank behandelt een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die op dezelfde datum wordt veroordeeld voor onder meer medeplegen van oplichting in 153 gevallen van bankhelpdeskfraude. Het Openbaar Ministerie vordert ontneming van ruim 454.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een pondspondsgewijze verdeling. De verdediging stelt dat slechts 18 feiten aan veroordeelde kunnen worden toegerekend en bepleit een veel lager bedrag dan wel nihil, mede gelet op gemaakte kosten en schadevergoedingen. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op 334.288,03 na aftrek van kosten voor aangekochte leads. Vanwege de samenloop met hoofdelijk toegewezen schadevergoedingen en onduidelijkheid over de onderlinge draagplicht stelt de rechtbank de betalingsverplichting op nihil.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsvordering strandt na elf jaar stilstand: officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ernstige termijnoverschrijding

Rechtbank Amsterdam 20 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1137

Deze zaak betreft een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde wegens medeplegen van oplichting in de periode 2002–2005. De officier van justitie dient in 2010 een vordering in tot betaling van 59.959,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Na toewijzing van een getuigenverzoek in 2010 blijft de zaak ruim elf jaar stil liggen. Bij hervatting in 2026 vordert de officier van justitie zelf niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat het extreme tijdsverloop en het uitblijven van essentieel getuigenverhoor een eerlijke behandeling onmogelijk maken. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en er wordt geen betalingsverplichting opgelegd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanvangsmoment redelijke termijn in ontnemingszaak: voornemen van de officier van justitie beslissend

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167

In deze ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen stelt het hof het voordeel vast op grond van artikel 36e lid 3 Sr met toepassing van de eenvoudige kasopstelling en legt een betalingsverplichting van 149.387,60 euro op. In cassatie klaagt de betrokkene dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM.
Volgens het middel moet die termijn aanvangen bij de start van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv en niet bij het kenbaar gemaakte voornemen van de officier van justitie ex artikel 311 lid 1 Sv. De Hoge Raad herhaalt zijn rechtspraak dat het aan de feitenrechter is het aanvangsmoment vast te stellen en dat dit oordeel in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Administratie vernietigd: OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering

Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25059, 24960 en 24961

De rechtbank Den Haag verklaart in drie samenhangende zaken het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvorderingen tegen een natuurlijk persoon en twee vennootschappen. In alle gevallen is de originele papieren bedrijfsadministratie vernietigd terwijl deze onder beslag stond, wat leidt tot een onherstelbaar vormverzuim. Hierdoor is het voor de verdediging onmogelijk om onderscheid te maken tussen legaal en illegaal verkregen inkomsten. De verstrekte digitale of gekopieerde administratie blijkt onvolledig en deels onleesbaar, waardoor de berekeningen van het OM niet verifieerbaar zijn. De rechtbank acht het recht op een eerlijk proces in ernstige mate geschonden. Dit leidt tot de zwaarste sanctie: niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geen ruimte voor beknoptheid bij ontnemingsvorderingen: hof moet inhoud bewijsmiddelen vermelden bij betwisting

Hoge Raad 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1870

Het gerechtshof bevestigde een vonnis over een ontnemingsvordering zonder de inhoud van de bewijsmiddelen te vermelden. De verdediging had in hoger beroep de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugsverkoop gemotiveerd betwist. In zo’n geval eist de wet een weergave van de redengevende feiten en omstandigheden. Het hof heeft ten onrechte volstaan met een verwijzing naar stukken. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak. De zaak wordt terugverwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor nieuwe behandeling.

Read More
Print Friendly and PDF ^