Ontnemingsvordering als vangnet bij grootschalige bankhelpdeskfraude strandt op verdelingsvraagstuk

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:813

De rechtbank behandelt een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die op dezelfde datum wordt veroordeeld voor onder meer medeplegen van oplichting in 153 gevallen van bankhelpdeskfraude. Het Openbaar Ministerie vordert ontneming van ruim 454.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een pondspondsgewijze verdeling. De verdediging stelt dat slechts 18 feiten aan veroordeelde kunnen worden toegerekend en bepleit een veel lager bedrag dan wel nihil, mede gelet op gemaakte kosten en schadevergoedingen. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op 334.288,03 na aftrek van kosten voor aangekochte leads. Vanwege de samenloop met hoofdelijk toegewezen schadevergoedingen en onduidelijkheid over de onderlinge draagplicht stelt de rechtbank de betalingsverplichting op nihil.

Context van de zaak

De zaak betreft een ontnemingsprocedure tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1998 te geboorteplaats, die niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijft op een adres in Nederland. De veroordeelde wordt bijgestaan door een raadsvrouw.

De ontnemingsvordering volgt op een strafvonnis van dezelfde datum, gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank. In de hoofdzaak wordt de veroordeelde schuldig bevonden aan medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk misdrijven te plegen, het verwerven en voorhanden hebben van gegevens bestemd tot het plegen van oplichting met betrekking tot niet-contante betaalinstrumenten, en medeplegen van computervredebreuk.

De strafzaak maakt deel uit van een groter strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige bankhelpdeskfraude in de periode van 8 februari 2022 tot en met 25 juli 2023. Op dezelfde datum worden ook meerdere medeverdachten veroordeeld. In totaal wordt de veroordeelde in de hoofdzaak als medepleger betrokken geacht bij 153 gevallen van bankhelpdeskfraude.

De officier van justitie dient een ontnemingsvordering in strekkende tot afroming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De behandeling vindt plaats op meerdere zittingsdagen in november 2025. De kern van het debat ziet uiteindelijk op de vraag hoe het ontnemingsbedrag zich verhoudt tot de in de hoofdzaak hoofdelijk toegewezen vorderingen van benadeelde partijen.

Tenlastelegging

In de hoofdzaak wordt de veroordeelde verweten dat hij zich samen met anderen schuldig maakt aan het medeplegen van oplichting in het kader van bankhelpdeskfraude, meermalen gepleegd. Daarnaast wordt hem verweten dat hij deelneemt aan een criminele organisatie met het oogmerk misdrijven te plegen, dat hij gegevens verwerft, verspreidt en voorhanden heeft waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van oplichting met betrekking tot niet-contante betaalinstrumenten, en dat hij zich schuldig maakt aan medeplegen van computervredebreuk.

Deze bewezenverklaarde feiten vormen de grondslag voor de ontnemingsvordering, nu daaruit volgt dat door middel van of uit de baten van strafbare feiten wederrechtelijk voordeel wordt verkregen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie wijzigt ter zitting van 10 november 2025 de omvang van de ontnemingsvordering. Aanvankelijk wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op 466.464,44. Dit bedrag wordt bijgesteld naar 454.531,73. Daarbij wordt rekening gehouden met aftrek van gemaakte kosten en met gelden die door banken of andere bedrijven zijn tegengehouden of teruggestort, zodat deze niet als genoten voordeel worden aangemerkt.

De berekening is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van de politie van 21 december 2023. De officier van justitie sluit aan bij scenario 2 uit dit rapport. Dit scenario gaat uit van een pondspondsgewijze verdeling van de buitgemaakte bedragen op basis van betrokkenheid per bewezenverklaarde oplichting.

Tijdens de inhoudelijke behandeling ligt het accent uiteindelijk op het verzoek van de officier van justitie om de aan benadeelde partijen toegekende vorderingen reeds in mindering te brengen op het te bepalen ontnemingsbedrag en de betalingsverplichting op dat lagere bedrag vast te stellen. De officier van justitie kwalificeert de ontnemingsvordering daarbij expliciet als vangnet, teneinde te waarborgen dat slachtoffers hun schade vergoed krijgen, zonder dat sprake is van dubbele betaling.

Standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in het uitgangspunt dat scenario 2 uit de ontnemingsrapportage wordt gehanteerd en dat teruggestorte of tegengehouden bedragen niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend.

Wel betoogt de verdediging dat de omvang van het voordeel aanzienlijk lager moet worden vastgesteld. Volgens de raadsvrouw kan de veroordeelde slechts aan 18 gevallen van bankhelpdeskfraude worden gekoppeld, waarbij bovendien sprake is van medeplegen. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel zou daarom maximaal 35.318,08 bedragen, mede gelet op de verdeling met anderen.

Na aftrek van kosten en de vorderingen van benadeelde partijen resteert volgens de verdediging zelfs een negatief bedrag. De ontnemingsvordering dient daarom te worden afgewezen dan wel het wederrechtelijk verkregen voordeel moet op nihil worden gesteld.

Voorts voert de verdediging aan dat de kosten voor de aankoop van zogenoemde leads, ten bedrage van 14.288,53, volledig door de veroordeelde zijn gedragen en daarom integraal in mindering moeten worden gebracht op het vast te stellen voordeel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert zich bij de beoordeling van de ontnemingsvordering op het op dezelfde datum gewezen vonnis in de hoofdzaak. Daaruit volgt dat de veroordeelde als medepleger betrokken is bij 153 gevallen van bankhelpdeskfraude. De rechtbank ontleent aan de bewijsmiddelen dat de veroordeelde voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

De rechtbank stelt vast dat in de hoofdzaak een hoofdelijke veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan benadeelde partijen is uitgesproken, per zaaknummer waarin betrokkenheid is vastgesteld. De strafbare feiten hebben onmiskenbaar wederrechtelijk voordeel opgeleverd.

Voor de berekening van dat voordeel sluit de rechtbank, evenals het Openbaar Ministerie en de verdediging, aan bij scenario 2 uit het ontnemingsrapport. Dat betekent een pondspondsgewijze verdeling per bewezenverklaarde oplichting. Indien slechts één veroordeelde bij een zaaknummer is betrokken, wordt het volledige bedrag aan hem toegerekend. Indien meerdere personen zijn veroordeeld voor betrokkenheid bij één zaaknummer, wordt het bedrag evenredig verdeeld.

De rechtbank verwerkt de berekening in een aan het vonnis gehecht Excel-bestand. Op basis daarvan wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel vastgesteld op 348.576,56.

Vervolgens brengt de rechtbank de kosten voor de aankoop van leads van 14.288,53 volledig in mindering, nu zij aannemelijk acht dat deze kosten door de veroordeelde alleen zijn gedragen. Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee uit op 334.288,03.

Ten aanzien van de betalingsverplichting overweegt de rechtbank dat artikel 36e, negende lid, Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat in rechte toegekende en reeds voldane vorderingen van benadeelde partijen in mindering worden gebracht. Nu het ontnemingsvonnis op dezelfde datum wordt gewezen als het strafvonnis, is nog geen sprake van daadwerkelijk voldane vorderingen. De rechtbank kan daarmee geen rekening houden.

Daarbij komt dat onduidelijk is wie in welke mate zal bijdragen aan de voldoening van de hoofdelijk toegewezen schadevergoedingen en hoe de onderlinge draagplicht tussen veroordeelden in de praktijk uitwerkt. De combinatie van een hoofdelijke veroordeling in de hoofdzaak en een pondspondsgewijze verdeling in de ontnemingsprocedure levert een complicerende factor op.

Nu ter zitting uitsluitend is gedebatteerd over het in mindering brengen van de toegewezen vorderingen en niet over een zelfstandige vaststelling van de betalingsverplichting zonder die aftrek, en gelet op het vangnetkarakter van de vordering, acht de rechtbank zich thans niet in staat de omvang van de betalingsverplichting vast te stellen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^