Ontnemingsvordering strandt na elf jaar stilstand: officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ernstige termijnoverschrijding

Rechtbank Amsterdam 20 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1137

Deze zaak betreft een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde wegens medeplegen van oplichting in de periode 2002–2005. De officier van justitie dient in 2010 een vordering in tot betaling van 59.959,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Na toewijzing van een getuigenverzoek in 2010 blijft de zaak ruim elf jaar stil liggen. Bij hervatting in 2026 vordert de officier van justitie zelf niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat het extreme tijdsverloop en het uitblijven van essentieel getuigenverhoor een eerlijke behandeling onmogelijk maken. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en er wordt geen betalingsverplichting opgelegd.

Context van de zaak

De rechtbank Amsterdam behandelt in meervoudige kamer een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De procedure staat in verband met een eerdere strafzaak tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1981, die bij vonnis van 5 juni 2014 door dezelfde rechtbank wordt veroordeeld voor onder meer het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd in de periode van 1 november 2002 tot en met 1 september 2005.

De ontnemingsprocedure strekt ertoe het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen dat de veroordeelde uit deze strafbare feiten heeft genoten en hem de verplichting op te leggen dit voordeel aan de Staat te betalen. Het gaat om een afzonderlijke procedure, die gelijktijdig maar niet gevoegd wordt behandeld met een ontnemingszaak tegen een medeveroordeelde. De vordering in de onderhavige zaak wordt reeds op 2 maart 2010 door de officier van justitie ingediend, dus nog vóórdat in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen.

De kern van het geschil betreft uiteindelijk niet zozeer de omvang van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel, maar de vraag of de officier van justitie, gelet op het extreme tijdsverloop en de gevolgen daarvan voor een eerlijke behandeling van de zaak, nog kan worden ontvangen in haar vordering.

In de onderliggende strafzaak wordt de veroordeelde verweten dat hij zich samen met anderen schuldig maakt aan oplichting, meermalen gepleegd. Deze feiten vinden plaats in een periode van bijna drie jaar, tussen november 2002 en september 2005. De strafrechter acht deze feiten bewezen en komt op 5 juni 2014 tot een veroordeling.

De ontnemingsvordering is gebaseerd op deze bewezenverklaarde feiten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde door middel van deze strafbare gedragingen financieel voordeel heeft genoten dat aan hem dient te worden ontnomen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie dient op 2 maart 2010 een ontnemingsvordering in bij de rechtbank. De vordering strekt tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van 59.959,50 en tot oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat ter hoogte van datzelfde bedrag.

De behandeling van de vordering vangt aan ter terechtzitting van 24 maart 2010. Vervolgens komt de zaak echter langdurig stil te liggen. Nadat de verdediging ter zitting verzoekt om het horen van zeven getuigen door de rechter-commissaris en de rechtbank dit verzoek toewijst, wordt de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden. Daarna vindt gedurende een zeer lange periode geen verdere inhoudelijke behandeling plaats.

Wanneer de zaak uiteindelijk opnieuw ter terechtzitting wordt aangebracht op 20 januari 2026, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Zij voert daartoe aan dat voortzetting van de ontnemingsprocedure, gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds het indienen van de vordering, niet langer opportuun is. De behandeling heeft gedurende vele jaren volledig stilgelegen, hetgeen naar haar oordeel in de weg staat aan een zinvolle voortzetting van de procedure.

Standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich uitdrukkelijk aan bij het standpunt van de officier van justitie. De raadsman onderschrijft dat sprake is van een zodanig lange periode van stilstand dat voortzetting van de ontnemingsprocedure niet meer in de rede ligt.

In 2010 verzoekt de toenmalige raadsman reeds om zeven getuigen te laten horen door de rechter-commissaris. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De verdediging heeft er derhalve belang bij dat deze getuigenverklaringen worden verkregen, mede met het oog op een zorgvuldige beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu deze getuigen in de tussenliggende periode niet zijn gehoord, acht de verdediging de mogelijkheden tot een adequate verdediging ernstig geschaad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat uit de ontnemingsvordering van 2 maart 2010 blijkt dat de officier van justitie haar voornemen kenbaar maakt om op 24 maart 2010 een ontnemingsvordering aanhangig te maken. De rechtbank merkt dit moment aan als het aanvangstijdstip van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure.

Tussen dit startmoment en het wijzen van het vonnis in de onderliggende strafzaak op 5 juni 2014 verstrijkt reeds een aanzienlijke periode. Ten tijde van de hervatting van de behandeling op 20 januari 2026 is echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim elf jaar. De rechtbank kwalificeert deze overschrijding als ernstig.

De rechtbank neemt kennis van het uitgangspunt dat de Hoge Raad hanteert, inhoudende dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit uitgangspunt geldt evenzeer in ontnemingsprocedures.

Niettemin oordeelt de rechtbank dat in deze specifieke zaak méér aan de hand is dan een enkele termijnoverschrijding. Het extreme tijdsverloop heeft concrete en negatieve consequenties voor de verdere behandeling van de zaak. In 2010 is het verzoek gedaan om zeven getuigen te horen bij de rechter-commissaris. Dit verzoek is toegewezen, maar de getuigen zijn tot op heden niet gehoord.

Voor een zorgvuldige en evenwichtige voortzetting van de procedure acht de rechtbank het noodzakelijk dat deze getuigen alsnog worden gehoord. Gelet op het verstreken tijdsverloop van ruim elf jaar acht de rechtbank het echter niet reëel te verwachten dat deze getuigen nog inhoudelijk en betrouwbaar kunnen verklaren over feiten die zich ruim twintig jaar geleden afspelen.

De rechtbank overweegt dat de ernstige overschrijding van de redelijke termijn ertoe leidt dat zij de vordering niet meer op zorgvuldige wijze kan beoordelen. Daarmee komt het recht van de veroordeelde op een eerlijk proces in het gedrang. Het tijdsverloop veroorzaakt aldus een fundamentele aantasting van de procespositie van de veroordeelde.

Onder deze bijzondere omstandigheden acht de rechtbank het gerechtvaardigd om af te wijken van het algemene uitgangspunt van de Hoge Raad. De combinatie van een uitzonderlijk lange stilstand, het uitblijven van essentieel getuigenverhoor en de onmogelijkheid om de zaak nog adequaat te beoordelen, brengt mee dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de ontnemingsvordering.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^