Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering ingediend bij Tweede Kamer

Op 24 maart 2026 is de Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel bevat twaalf onderwerpen, waaronder de wettelijke regeling van procesafspraken, de voorwaardelijke strafbeschikking, de rechterlijke toets bij hoge transacties en ontnemingsschikkingen, en de codificatie van EU-rechtspraak over gegevensverwerking. De regeling van procesafspraken gaat op wezenlijke punten verder dan het kader van de Hoge Raad: een toelatingstoets met zes criteria, een strafkortingsmaximum van een derde, en een wettelijke uitsluiting van hoger beroep na conforme beslissing. Het bewijscriterium bij de strafbeschikking wordt aangescherpt tot "buiten redelijke twijfel" en de officier krijgt de mogelijkheid om voorwaardelijke straffen op te leggen. Ten opzichte van de consultatieversie van mei 2024 zijn op vrijwel alle onderdelen wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de adviezen van de ketenpartners.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voormalig NCTV-analist voor het ongeoorloofd onder zich houden van staatsgeheime documenten; vrijspraak voor overdracht aan Marokkaanse inlichtingendienst

Rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2400

De rechtbank veroordeelt een voormalig senior analist van de NCTV tot twintig maanden gevangenisstraf voor het ongeoorloofd onder zich nemen en houden van staatsgeheime documenten in zijn woning en bagage. De verdachte wordt vrijgesproken van het verstrekken van staatsgeheime informatie aan de Marokkaanse inlichtingendienst DGED en van voorbereidingshandelingen daarvoor, omdat concreet bewijs voor de daadwerkelijke overdracht ontbreekt. De rechtbank oordeelt dat de bewijsdrempel in een spionagezaak niet lager komt te liggen vanwege de moeilijkheid om verstrekking van geheime informatie te bewijzen. De dagvaarding wordt op onderdelen nietig verklaard wegens het ontbreken van een omschrijving van de feitelijke uitvoeringshandelingen bij de ten laste gelegde pogingen tot overdracht. Het staatsgeheime karakter van de concreet benoemde documenten wordt vastgesteld op basis van ambtsberichten van de AIVD en MIVD in samenhang met processen-verbaal van de Landelijk officier van justitie terrorismebestrijding.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Phishing van creditcardgegevens via namaakwebsites leidt tot 30 maanden gevangenisstraf in hoger beroep

Gerechtshof Amsterdam 16 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3771

Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een verdachte tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor het gedurende tien maanden plegen van phishing van creditcardgegevens van klanten van International Card Services. De verdachte verstuurt phishing e-mails en leidt slachtoffers naar namaakwebsites waar zij hun inloggegevens en tweefactorauthenticatiecodes invullen. Met de verkregen gegevens verschaft de verdachte zich via de ICS-app toegang tot de creditcards van in totaal 65 slachtoffers en doet hij online aankopen. Het hof acht oplichting, het voorhanden hebben van technische hulpmiddelen voor computervredebreuk, computervredebreuk en het bezit van een gasvuurwapen bewezen. De vordering van de benadeelde partij ICS wordt toegewezen tot een bedrag van € 36.722,70 aan materiele schade. Diverse voorwerpen, waaronder telefoons, laptops en crypto-apparatuur, worden verbeurd verklaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Cyberkamer veroordeelt verdachte voor grootschalige malwarecampagne en bankfraude: taakstraf in plaats van gevangenisstraf wegens forse overschrijding redelijke termijn

Gerechtshof Den Haag 4 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:176

Het gerechtshof Den Haag veroordeelt een verdachte voor het medeplegen van computervredebreuk, oplichting, het misbruiken van identificerende persoonsgegevens en het voorhanden hebben van technische hulpmiddelen en inloggegevens voor het plegen van computervredebreuk. De verdachte verspreidde samen met anderen malware via valse e-mails en internetposts, waarmee computers van slachtoffers werden geinfecteerd en inloggegevens van bankrekeningen werden buitgemaakt. Met die inloggegevens werd ingelogd op bankrekeningen en werden geldbedragen naar derden overgemaakt, voor een totaalbedrag van circa 34.931 euro. Het hof verwerpt het verweer dat sprake is van een vormverzuim bij het verkrijgen van het wachtwoord van de computer van de verdachte. Hoewel het hof een gevangenisstraf van twaalf maanden in beginsel passend acht, legt het een taakstraf van 240 uur op vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal ruim vijf jaar. De bank wordt als benadeelde partij een schadevergoeding van 39.161,44 euro toegewezen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad verduidelijkt einde ontnemingszaak bij beklag over conservatoir beslag op hardware wallet met bitcoins

Hoge Raad 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:256

Achtergrond

In deze zaak staat een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering centraal dat betrekking heeft op conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin ongeveer zes bitcoins. De wallet is op 24 november 2020 tijdens een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Rockport” in beslag genomen onder de broer van klager. Zowel klager als zijn broer waren in dat onderzoek verdachte.

Het aanvankelijke beslag vond plaats op grond van artikel 94 Sv. Vervolgens heeft het openbaar ministerie op 7 december 2020 conservatoir beslag gelegd op de hardware wallet op grond van artikel 94a Sv. Dit conservatoir beslag diende ter bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de broer van klager in een eerdere ontnemingsprocedure.

De strafzaak in het onderzoek Rockport heeft uiteindelijk niet tot vervolging geleid. De strafzaak tegen de broer van klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Ook de strafzaak tegen klager is geseponeerd, waarbij het openbaar ministerie dit later nog schriftelijk heeft bevestigd. Het klassieke strafvorderlijke beslag op grond van artikel 94 Sv is daarop opgeheven. Het conservatoire beslag ex artikel 94a Sv bleef echter bestaan, omdat dit verband hield met de reeds opgelegde ontnemingsmaatregel tegen de broer van klager.

Die ontnemingsmaatregel vloeit voort uit een eerdere strafzaak tegen de broer van klager waarin hij is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van auteursrechtinbreuk en het bedrijfsmatig voorhanden hebben en verspreiden van illegale dvd’s en cd’s. Deze gedragingen kwalificeren onder meer als strafbare feiten als bedoeld in de Auteurswet. Aan de broer is een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de ontnemingsprocedure is hem daarnaast een verplichting opgelegd tot betaling van € 2.272.536,67 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Klager stelt dat de hardware wallet en de daarin aanwezige bitcoins niet aan zijn broer, maar aan hem toebehoren. Volgens klager heeft hij de wallet kort voor de beslaglegging aan zijn broer overhandigd met het verzoek om de bitcoins te verkopen, omdat zijn broer meer technische kennis had. Klager onderbouwt zijn eigendomsclaim onder meer met een belastingaangifte waarin de bitcoins als zijn vermogen zijn opgenomen. Daarnaast voert hij aan dat hij de waarde van de bitcoins nodig heeft om in zijn levensonderhoud en financiële verplichtingen te voorzien.

Op 21 november 2022 dient klager een klaagschrift ex artikel 552a Sv in strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag en teruggave van de hardware wallet met bitcoins. Uiteindelijk komt de zaak terecht bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het volgens het hof te laat is ingediend.

Middel

In cassatie klaagt klager dat het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de termijn waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend.

Het hof heeft de ontvankelijkheid beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 4 Sv. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin nog geen vervolging is ingesteld. In dat geval moet een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming worden ingediend. Omdat het klaagschrift volgens het hof buiten die termijn zou zijn ingediend, heeft het hof klager niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overweegt het hof ten overvloede dat het klaagschrift ook niet-ontvankelijk zou zijn geweest indien artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was geweest. Deze bepaling geldt wanneer wel een vervolging heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het klaagschrift uiterlijk binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak moet worden ingediend. Volgens het hof was die termijn eveneens verstreken, omdat de strafzaak tegen klager in maart 2021 was geseponeerd.

Het cassatiemiddel betoogt dat dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het beslag verband houdt met een andere zaak, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling van het middel: toepasselijke termijn voor beklag

De Hoge Raad stelt voorop dat uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een klaagschrift ontvankelijk is zolang nog geen drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Wanneer sprake is van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv, moet bij de vraag wanneer de vervolgde zaak tot een einde is gekomen worden gekeken naar de strafzaak of – indien het beslag strekt tot verhaal voor een ontnemingsmaatregel – naar de behandeling van de ontnemingsvordering.

Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat artikel 552a lid 4 Sv van toepassing is onjuist. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is van vervolging. In dat geval had het hof de ontvankelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 552a lid 3 Sv.

Ook de overweging ten overvloede van het hof houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Het hof baseert daarin zijn oordeel op het sepot van de strafzaak tegen klager in het Rockport-onderzoek. Het beslag waartegen het beklag zich richt, houdt echter verband met een andere procedure, namelijk de ontnemingsprocedure tegen de broer van klager. Het oordeel van het hof is daarom niet begrijpelijk.

Wanneer eindigt de ontnemingszaak?

De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vraag wanneer een ontnemingsprocedure moet worden geacht tot een einde te zijn gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.

De Hoge Raad overweegt dat een onherroepelijke uitspraak op een ontnemingsvordering weliswaar geldt als executoriale titel, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan pas kan plaatsvinden wanneer ook de onderliggende strafrechtelijke veroordeling – waarop artikel 36e Sr ziet – onherroepelijk is geworden. Daarnaast bepaalt artikel 511i Sv dat een ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de strafzaak uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat wanneer de beslissing in de ontnemingsprocedure al onherroepelijk is, maar de strafrechtelijke veroordeling nog niet, de ontnemingszaak pas tot een einde komt wanneer ook die veroordeling onherroepelijk wordt.

Afdoening door de Hoge Raad

Hoewel de beschikking van het hof dus juridisch onjuist is gemotiveerd, leidt dit niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad wijst erop dat inmiddels het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van klager is verworpen. Daardoor is de veroordeling onherroepelijk geworden en kan de ontnemingsmaatregel worden geëxecuteerd.

Volgens artikel 6:4:4 Sv vindt verhaal op conservatoir in beslag genomen voorwerpen plaats volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels zijn ook van toepassing op derden die menen recht te hebben op de in beslag genomen goederen.

Dat betekent dat klager – die stelt eigenaar te zijn van de hardware wallet met bitcoins – zijn aanspraak niet via een strafrechtelijke beklagprocedure, maar via de civiele rechter moet laten beoordelen.

Omdat na terugwijzing slechts opnieuw een niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen, doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De bestreden beschikking wordt vernietigd, maar het klaagschrift wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^