Veroordeling voormalig NCTV-analist voor het ongeoorloofd onder zich houden van staatsgeheime documenten; vrijspraak voor overdracht aan Marokkaanse inlichtingendienst

Rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2400

De rechtbank veroordeelt een voormalig senior analist van de NCTV tot twintig maanden gevangenisstraf voor het ongeoorloofd onder zich nemen en houden van staatsgeheime documenten in zijn woning en bagage. De verdachte wordt vrijgesproken van het verstrekken van staatsgeheime informatie aan de Marokkaanse inlichtingendienst DGED en van voorbereidingshandelingen daarvoor, omdat concreet bewijs voor de daadwerkelijke overdracht ontbreekt. De rechtbank oordeelt dat de bewijsdrempel in een spionagezaak niet lager komt te liggen vanwege de moeilijkheid om verstrekking van geheime informatie te bewijzen. De dagvaarding wordt op onderdelen nietig verklaard wegens het ontbreken van een omschrijving van de feitelijke uitvoeringshandelingen bij de ten laste gelegde pogingen tot overdracht. Het staatsgeheime karakter van de concreet benoemde documenten wordt vastgesteld op basis van ambtsberichten van de AIVD en MIVD in samenhang met processen-verbaal van de Landelijk officier van justitie terrorismebestrijding. De opgelegde straf van twintig maanden is gelijk aan de ondergane voorlopige hechtenis en wijkt daarmee zeer aanzienlijk af van de eis van twaalf jaren gevangenisstraf.

Inleiding en context

De zaak, die bekendstaat onder de onderzoeksnaam 28Celestien, betreft een voormalig medewerker van de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1959, is sinds 2005 werkzaam geweest bij de NCTb (de voorloper van de NCTV) en vervolgens bij de NCTV zelf, waar hij de functie van senior analist vervult bij de Directie Kennis en Analyse. Vanaf 2022 werkt hij twee dagen per week voor de NCTV in verband met een promotieonderzoek. Het strafrechtelijk onderzoek vindt zijn oorsprong in een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 10 oktober 2023, dat aan de Landelijk officier van justitie terrorismebestrijding wordt verstrekt en vervolgens ter beschikking van de Rijksrecherche wordt gesteld. De verdachte wordt op 26 oktober 2023 aangehouden op de luchthaven Schiphol, waar hij een vlucht naar Marokko wil nemen. Bij doorzoeking van zijn bagage worden meerdere digitale gegevensdragers aangetroffen, waaronder harde schijven en telefoons met Marokkaanse simkaarten. Bij de daaropvolgende doorzoeking van zijn woning op 26 en 27 oktober 2023 wordt een groot aantal fysieke en digitale gerubriceerde documenten aangetroffen, verspreid over de gehele woning. In totaal gaat het om 843 fysieke gerubriceerde stukken in de woning, 815 gerubriceerde documenten op gegevensdragers in de woning en 155 gerubriceerde documenten op gegevensdragers in de bagage van de verdachte op Schiphol. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De tenlastelegging omvat meerdere feiten. Onder feit 1 primair wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 18 tot en met 26 oktober 2023 heeft gepoogd staatsgeheime inlichtingen te verstrekken aan de Marokkaanse inlichtingendienst Direction Generale d'Etudes et de Documentation (DGED) dan wel aan medewerkers daarvan, in strijd met artikel 98a lid 1 en lid 2 Sr. Onder feit 1 subsidiair wordt hem verweten dat hij in dezelfde periode staatsgeheime inlichtingen zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk onder zich heeft genomen en gehouden, als bedoeld in artikel 98 (oud) jo. 98c (oud) Sr. Onder feit 2 primair wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 23 december 2022 tot en met 15 september 2023 een groot aantal concreet benoemde staatsgeheime documenten heeft verstrekt aan de DGED of daaraan verbonden personen. Feit 2 subsidiair betreft de poging daartoe en feit 2 meer subsidiair de voorbereidingshandelingen voor dat verstrekken. Onder feit 3 wordt de verdachte verweten dat hij op of omstreeks 26 en 27 oktober 2023 een groot aantal fysiek en digitaal aangetroffen staatsgeheime documenten ongeoorloofd opzettelijk onder zich heeft genomen en gehouden. Centraal staan de artikelen 98 (oud) en 98c (oud) Sr, die het opzettelijk onder zich nemen, houden en verstrekken van staatsgeheime inlichtingen strafbaar stellen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vordert een veroordeling voor feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3. De officier van justitie baseert de bewijsconstructie in belangrijke mate op ambtsberichten van de AIVD en MIVD en betoogt dat uit het over elkaar leggen van verschillende onderzoeksresultaten het bewijs voor het verstrekken van staatsgeheime informatie volgt. De officier van justitie wijst daarbij op de opvallende samenval in de tijd tussen print- en scanactiviteiten van de verdachte op kantoor en zijn veelvuldige reizen naar Marokko, aangeduid als "treintjes van bewijs". Tevens voert het Openbaar Ministerie aan dat sprake is van tegenprestaties door de DGED jegens de verdachte. De eis luidt een gevangenisstraf van twaalf jaren met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor alle feiten. Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding voert de verdediging aan dat de niet-gespecificeerde categorieaanduidingen van documenten in de tenlastelegging niet voldoen aan de eisen van artikel 261 Sv, nu onvoldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich dient te verdedigen. Ten aanzien van het bewijs stelt de verdediging dat de ambtsberichten van de AIVD en MIVD niet als bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de juistheid daarvan niet door de verdediging en de rechtbank kan worden getoetst. Voorts betwist de verdediging dat het staatsgeheime karakter van de in beslag genomen documenten kan worden vastgesteld. De verdachte stelt dat het hem door zijn leidinggevenden was toegestaan om gerubriceerde informatie mee naar huis te nemen, zowel vanwege de cultuur van thuiswerken als vanwege een structureel onveilige werkomgeving vanaf april 2021. Subsidiair doet de verdediging een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. Ten aanzien van de vermeende contacten met de DGED verklaart de verdachte dat zijn contacten in Marokko verband houden met familieaangelegenheden, waaronder een langlopende procedure over in beslag genomen familiegrond in Larache en activiteiten voor de Nationale Raad voor de Rechten van de Mens.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank verklaart allereerst ambtshalve de dagvaarding nietig ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 subsidiair, omdat daarin een omschrijving ontbreekt van de feitelijke uitvoeringshandelingen die de verdachte zou hebben verricht ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf. De tenlastelegging is op die onderdelen syntactisch incorrect, inhoudelijk onvolledig en daardoor niet goed te begrijpen. Tevens verklaart de rechtbank de dagvaarding partieel nietig ten aanzien van de onder feit 2 primair opgenomen zinsnede met overige niet-gespecificeerde gerubriceerde documenten, omdat daarin een verwijzing naar het dossier ontbreekt. Het verweer tot partiele nietigheid wordt verworpen voor zover het ziet op de feiten 1 subsidiair en 3, aangezien de categorieaanduidingen in die feiten in het licht van het dossier voldoende specifiek en feitelijk zijn.

Ten aanzien van de bewijswaarde van de ambtsberichten overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV4144), dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaard materiaal tot het bewijs, mits de rechter met de nodige behoedzaamheid beoordeelt of het materiaal tot het bewijs kan meewerken. De rechtbank acht de ambtsberichten bruikbaar voor zover er voldoende steunbewijs voorhanden is. Ten aanzien van het staatsgeheime karakter oordeelt de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:168), dat de ambtsberichten van de AIVD en MIVD in samenhang met de processen-verbaal van bevindingen van de Landelijk officier van justitie voldoende steunbewijs vormen voor het staatsgeheime karakter van de concreet benoemde documenten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte zelf toegang had tot Rubrinet en heeft erkend vanuit dat systeem staatsgeheime documenten te hebben geprint.

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 3 acht de rechtbank bewezen dat de verdachte niet gerechtigd was de stukken buiten de kantooromgeving te bewaren. De rechtbank baseert dit op de consistente verklaringen van meerdere getuigen, onder wie voormalig leidinggevenden en hoofden van de NCTV, die onomwonden verklaren dat het meenemen van staatsgeheime stukken buiten de kantooromgeving niet was toegestaan. De stelling van de verdachte dat hij toestemming had van een inmiddels overleden leidinggevende acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2 primair en meer subsidiair spreekt de rechtbank de verdachte vrij. Hoewel de rechtbank vaststelt dat de verdachte contact heeft onderhouden met een persoon die aan de DGED kan worden gerelateerd, ontbreekt concreet bewijs voor de daadwerkelijke verstrekking van staatsgeheime informatie. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat het buitengewoon moeilijk kan zijn om in een spionagezaak de daadwerkelijke verstrekking te bewijzen, niet maakt dat de bewijsdrempel daarmee lager komt te liggen. Voor de voorbereidingshandelingen geldt evenzeer dat niet kan worden bewezen dat het voorhanden hebben van documenten en gegevensdragers bestemd was om geheime informatie met de DGED te delen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 subsidiair: het op 26 oktober 2023 te Haarlemmermeer opzettelijk onder zich houden, zonder daartoe gerechtigd te zijn, van twee staatsgeheime inlichtingen, te weten een Inlichtingenanalyse "Normbeeld Marokkaanse inlichtingenactiviteiten in Nederland" d.d. 16 juli 2021 en een MIVD Inlichtingenbericht d.d. 29 maart 2021

  • Feit 3: het op of omstreeks 26 oktober 2023 te Rotterdam opzettelijk onder zich nemen en houden, zonder daartoe gerechtigd te zijn, van vijf fysiek aangetroffen staatsgeheime inlichtingenanalyses en intelligence updates, alsmede elf digitaal aangetroffen staatsgeheime inlichtingenberichten en inlichtingenanalyses

  • Vrijspraak voor feit 2 primair (verstrekken van staatsgeheime informatie aan de DGED) en feit 2 meer subsidiair (voorbereidingshandelingen daarvoor)

  • Vrijspraak voor de niet-concreet benoemde categoriedocumenten en de EU-documenten wegens het ontbreken van voldoende onderbouwing van het staatsgeheime karakter

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig maanden met aftrek van voorarrest. Bij de strafmotivering overweegt de rechtbank dat de verdachte onacceptabele risico's voor de staatsveiligheid heeft gecreeerd door staatsgeheime documenten buiten de beveiligde kantooromgeving te brengen en op onverantwoord achteloze wijze thuis te bewaren. De rechtbank overweegt daarbij dat de verdachte zijn ambtsplicht met voeten heeft getreden en afbreuk heeft gedaan aan het aanzien en de integriteit van de NCTV. Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met het blanco strafblad van de verdachte, zijn jarenlange verdiensten voor de Nederlandse staat en het feit dat voor het ernstigste verwijt van spionage het sluitende bewijs niet is geleverd. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn met bijna vijf maanden. De opgelegde straf is gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis en wijkt daarmee zeer aanzienlijk af van de eis van het Openbaar Ministerie van twaalf jaren, hetgeen volledig wordt verklaard door de vrijspraken voor de spionageverwijten. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^