Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering ingediend bij Tweede Kamer
/Vandaag is de Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. Het is een omvangrijk wetsvoorstel dat op twaalf onderwerpen wijzigingen aanbrengt in de vaststellingswetten die op 24 februari 2026 door de Eerste Kamer zijn aangenomen. De beoogde inwerkingtreding is 1 april 2029. In dit blog bespreken wij de belangrijkste onderdelen en signaleren wij waar het wetsvoorstel afwijkt van de consultatieversie van mei 2024.
1. Procesafspraken
Het meest besproken onderdeel. De praktijk berust op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 en de Aanwijzing procesafspraken van het OM. Alle ketenpartners adviseerden dat codificatie te vroeg kwam; de Raad voor de rechtspraak noemde het “zeer onverstandig”. De wetgever houdt daar niet aan vast.
De regeling is neergelegd in de Boeken 1, 3, 4, 5 en 6, met een begripsbepaling in artikel 1.1.19. De rechter toetst procesafspraken aan zes cumulatieve criteria (artikel 4.2.26b). Ten opzichte van de consultatieversie zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: het zelfstandige criterium dat procesafspraken een “wezenlijke bijdrage” moeten leveren aan een doeltreffende berechting is geschrapt; het keert in gewijzigde vorm terug in sub f. De categorische uitsluiting van zware gewelds- en zedenmisdrijven (strafmaximum twaalf jaar of meer) is gehandhaafd ondanks breed advies. Geheel nieuw is artikel 4.2.26c over de gevolgen van niet-toelaten, inclusief verplichte verschoning van de zittingscombinatie bij inhoudelijke afwijzing. Eveneens nieuw is de wettelijke uitsluiting van hoger beroep na conforme beslissing (artikel 5.4.1 lid 5). De categorische uitsluiting van het jeugdrecht is verlaten: procesafspraken zijn nu mogelijk mits niet in strijd met het belang van de verdachte (artikel 6.1.22a). Procesafspraken over ontneming kunnen geen zelfstandige grond opleveren voor het lager vaststellen van het ontnemingsbedrag (artikel 4.2.26b lid 4), ter uitvoering van de motie-Van Nispen/Ellian. En het beklag door het slachtoffer ter zake van feiten die op grond van procesafspraken niet zijn tenlastegelegd wordt uitgesloten (artikel 3.5.3 lid 3): de toelatingstoets komt in de plaats van de beklagprocedure.
2. Buitengerechtelijke afdoening
Dit onderdeel wijzigt de regeling van de strafbeschikking (huidig artikel 257a e.v. Sv, nieuw artikel 3.3.1 e.v.), de transactie (huidig artikel 74 e.v. Sr, nieuw artikel 3.4.4 e.v.) en de ontnemingsschikking (huidig artikel 511c Sv, nieuw artikel 3.4.18 e.v.). Het conceptwetsvoorstel uit 2021 over de buitengerechtelijke afdoening in het huidige wetboek is losgelaten; de inhoud ervan wordt in aangepaste vorm via deze aanvullingswet in het nieuwe wetboek verwerkt.
De strafbeschikking. Het bewijscriterium wordt aangescherpt. Waar het huidige artikel 257a Sv spreekt van “vaststelt” dat de verdachte het feit heeft begaan, vereist het nieuwe artikel 3.3.1 lid 1 dat “buiten redelijke twijfel” staat dat de verdachte het feit heeft begaan, dat het feit strafbaar is en de verdachte vanwege dat feit strafbaar is. Daarmee wordt het criterium expliciet in lijn gebracht met het rechterlijke bewijscriterium van artikel 4.3.7 lid 2.
De officier krijgt daarnaast de mogelijkheid om een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete, taakstraf of ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen (artikel 3.3.1a). De proeftijd bedraagt maximaal een jaar. Bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, waaronder een contactverbod en locatieverbod. De meest ingrijpende voorwaarden (opname in een instelling) blijven voorbehouden aan de rechter. Nieuw ten opzichte van de consultatieversie is dat verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen bij strafbeschikking mogelijk wordt, evenals de maatregel van vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens.
Voor het geval de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden houdt, voorziet het wetsvoorstel in een omzettingsprocedure. De officier kan de voorwaardelijke straf zelf omzetten in een onvoorwaardelijke (artikel 7.2.8a lid 2). Wil hij een vrijheidsstraf of vervangende hechtenis, dan moet hij een vordering tot omzetting indienen bij de rechtbank (artikel 7.2.8c). Tegen de zelfstandige omzettingsbeslissing van de officier staat een bezwaarschriftprocedure open (artikel 7.2.10), maar daarin mag de rechter niet oordelen over de schuldvaststelling. De Raad voor de rechtspraak en de Raad van State hebben geadviseerd om die mogelijkheid alsnog toe te voegen. De wetgever volgt dat advies niet.
De transactie. De transactie (huidig artikel 74 Sr) wordt als afdoeningsmodaliteit behouden, maar beperkt tot twee groepen gevallen. Ten eerste: criminaliteit in de sfeer van de rechtspersoon, inclusief opdrachtgevers en feitelijk leidinggevenden (artikel 51 Sr). Voor deze groep wordt een rechterlijke verlofprocedure geintroduceerd bij voorgenomen hoge transacties (drempelbedrag 200.000 euro boetecomponent, dan wel 500.000 euro totale geldelijke component). Het gerechtshof toetst zowel de rechtmatigheid als de opportuniteit en maakt zijn beslissing openbaar. Ten tweede: bijzondere omstandigheden waarin naar het oordeel van de officier een transactie de voorkeur verdient boven een strafbeschikking, met een boetecomponent van maximaal 20.000 euro (artikel 3.4.4 lid 2). Ten opzichte van de consultatieversie is de term “bijzondere voorwaarden” bij de transactie op advies van de 3RO vervangen door “voorwaarden” (ter voorkoming van begripsverwarring met de bijzondere voorwaarden bij de strafbeschikking) en is de artikelindeling geherstructureerd.
De ontnemingsschikking. Het wetsvoorstel introduceert een rechterlijke verlofprocedure bij voorgenomen hoge ontnemingsschikkingen (drempelbedrag 200.000 euro), analoog aan de verlofprocedure bij hoge transacties. Deze verlofprocedure is nieuw ten opzichte van zowel het huidige recht als de consultatieversie.
3. Strafvorderlijke gegevensverwerking
De bepalingen over de verdere verwerking van gegevens uit het huidige wetboek (waaronder de huidige artikelen 126cc en 126dd Sv) worden alsnog omgezet naar het nieuwe wetboek (nieuwe artikelen 2.1.18 tot en met 2.1.21). De oorspronkelijke bedoeling was deze bepalingen onder te brengen in een nieuwe gegevensverwerkingswet, maar daarvan is afgezien wegens ontbrekende financiele middelen.
Daarnaast wordt een begin gemaakt met de codificatie van de rechtspraak van het HvJ EU. Het arrest in de zaak Lietuvos Respublikos generaline prokuratura (HvJ EU 7 september 2023, C-162/22) over de verdere verwerking van gegevens wordt gecodificeerd. De arresten Prokuratuur en Landeck volgen in de tweede aanvullingswet. Over de normering van bulkdata wordt een afzonderlijke commissie ingesteld. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geadviseerd dat de waarborgen achterblijven bij het EU-recht; de wetgever deelt die analyse niet, maar erkent het belang van verdere codificatie.
Ten opzichte van de consultatieversie zijn drie wijzigingen aangebracht. Artikel 2.1.18 (bewaring en vernietiging van gegevens) is op advies van de Raad van State geherformuleerd als een “kan-bepaling”, waarmee ruimte wordt gelaten voor EU-handvestconforme toepassing. De bewaartermijn voor niet bij de processtukken gevoegde gegevens is verlengd van twee naar vier maanden, zodat deze nog beschikbaar zijn bij een eventueel beklag (artikel 3.5.4). En de vormvereisten van een bevel tot verstrekking van gegevens uit het huidige artikel 126nd lid 3 worden op advies van de AP overgenomen in een AMvB.
4. Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
De regeling in Boek 2, Hoofdstuk 6 (huidig artikel 56 e.v. Sv, nieuw artikel 2.6.1 e.v.), wordt op drie punten gewijzigd. De doelbinding van diverse bevoegdheden wordt verruimd: de specifieke doelbinding die in de eerste vaststellingswet was opgenomen wordt in veel bepalingen geschrapt, zodat de algemene regel geldt dat de bevoegdheid in het belang van het onderzoek is (artikel 2.1.2 lid 2). Er komt een regeling voor lichaamsonderzoek bij bewusteloze personen (nieuw artikel 2.6.4a). En de regeling voor lichaamsonderzoek bij minderjarigen wordt verfijnd.
Ten opzichte van de consultatieversie is de delegatiegrondslag van artikel 2.6.5 lid 1 op advies van de Raad van State gewijzigd van facultatief naar dwingend: er moeten nu regels worden gesteld bij AMvB. De definitie van onderzoek in het lichaam (artikel 2.6.8) is op advies van het OM techniekonafhankelijk geformuleerd: de CT-scan wordt niet meer expliciet genoemd maar blijft uitgesloten omdat bij het gebruik daarvan risico’s voor de gezondheid bestaan. En de regeling voor bewusteloze minderjarigen is op advies van SHN verbreed van slachtoffers van 12 tot 18 jaar naar alle betrokkenen tot 18 jaar.
5. Deskundigenregeling
De aanleiding was dat de politie en het OM erop wezen dat het uitgangspunt dat de officier alleen NRGD-geregistreerde deskundigen kan benoemen niet aansluit bij de praktijk van DNA-onderzoek. Het wetsvoorstel verduidelijkt welke typen onderzoek niet als deskundigenonderzoek worden aangemerkt (artikel 1.7.5). Ten opzichte van de consultatieversie is de bepaling over organisatiebenoeming (artikel 1.7.1 lid 2) op advies van het OM aangepast, zodat niet telkens hoeft te worden nagevraagd hoeveel deskundigen de organisatie in dienst heeft.
6. Strafvordering op zee en in de lucht
Boek 6, Hoofdstuk 3, wordt ingevuld met een gemoderniseerde regeling die de sterk verouderde artikelen 539a tot en met 539w van het huidige wetboek vervangt. De regeling was in de eerste vaststellingswet gereserveerd en is nu uitgewerkt op basis van een WODC-onderzoek. De bepalingen zijn gestroomlijnd met de gewone regels voor strafvordering, met bijzondere aandacht voor de inzet van moderne communicatiemiddelen en de waarborging van verdachtenrechten.
7. Voorwaarden en toezicht
De diverse regelingen met betrekking tot bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan worden geharmoniseerd. Het wetsvoorstel brengt meer eenheid aan in de voorwaarden bij schorsing van de voorlopige hechtenis (huidig artikel 80 Sv, nieuw artikel 2.5.33), de voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c Sr), de voorwaardelijke strafbeschikking (nieuw artikel 3.3.1b), de TBS met voorwaarden (artikel 38 Sr), de voorwaardelijke invrijheidstelling (huidig artikel 6:2:10 Sv, nieuw artikel 7.3.9) en de gratie onder voorwaarden (artikel 13 Gratiewet). Bij al deze modaliteiten worden dezelfde bijzondere voorwaarden in de wet opgenomen: een contactverbod, locatieverbod, locatiegebod, meldplicht, alcohol- of middelenverbod, behandelplicht, deelname aan een gedragsinterventie en het vinden en behouden van dagbesteding.
Ten opzichte van de consultatieversie zijn op advies van het OM en SHN de verhuisplicht en het vestigingsverbod expliciet verankerd. De formulering van het contactverbod is aangepast: zowel het “hebben” als het “zoeken” van contact valt er nu onder, inclusief een verbod om zich binnen een bepaalde afstand van het slachtoffer te begeven. En op advies van het OM is de naleving van aanwijzingen in het kader van gedragstoezicht op compliancebeleid als bijzondere voorwaarde toegevoegd bij de transactie en de voorwaardelijke strafbeschikking.
8. Vernietiging van gegevens als strafrechtelijke maatregel
De vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens (huidig artikel 125o e.v. Sv) wordt verplaatst van het Wetboek van Strafvordering naar het Wetboek van Strafrecht en daar vormgegeven als strafrechtelijke maatregel, vergelijkbaar met de onttrekking aan het verkeer. Inhoudelijk nieuw is dat vernietiging ook mogelijk wordt bij het uitvaardigen van een strafbeschikking (artikel 3.3.1 lid 2 sub e). Tegen oplegging bij strafbeschikking staat voor de verdachte verzet open; voor andere belanghebbenden voorziet artikel 6.4.5a in een beklagmogelijkheid. In de consultatieversie was deze mogelijkheid bij strafbeschikking nog niet opgenomen.
9. Kleinere onderwerpen
Het wetsvoorstel bevat vier kleinere onderwerpen: aanpassing van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel (artikel 1.1.1) in verband met de doorwerking van internationaal recht; aanpassing van de regeling voor het bewaren van sporendragers (artikelen 2.7.24, 2.7.31, 2.7.32); een nieuwe heimelijke bevoegdheid tot het inloggen met rechtmatig verkregen gegevens op een geautomatiseerd werk (artikel 2.8.17); en een regeling voor het verstrekken van niet-strafbare gegevens na inbeslagneming (artikel 6.4.4 lid 2).
10. Geen uitbreiding spreekrecht
Op basis van de consultatieadviezen heeft de wetgever besloten de regeling van het spreekrecht niet te wijzigen. De eerder overwogen hardheidsclausule en het gelijktrekken van spreekrechtwaardige delicten met de verschijningsplicht zijn niet opgenomen.
11. Verwerking recente wetswijzigingen
Tot slot verwerkt het wetsvoorstel twaalf recente wetswijzigingen in het nieuwe wetboek die na indiening van de eerste vaststellingswet in werking zijn getreden, waaronder de Wet seksuele misdrijven, de Wet uitbreiding strafbaarheid spionageactiviteiten en de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II. Daarnaast worden enkele omissies uit de vaststellingswetten hersteld.
