De boete voor de belastingadviseur: hoe stevig moet het bewijs zijn?

Rechtbank Gelderland vernietigt een deelnemersboete van € 70.000 voor een belastingadviseur op vier zelfstandige gronden. De inspecteur slaagde niet in het bewijs dat de adviseur als feitelijk leidinggever, medepleger of medeplichtige betrokken was bij het niet aangeven van vennootschapsbelasting door Curaçaose vennootschappen. De toestemmingsprocedure voor de boete was volgens de rechtbank "uitermate onzorgvuldig" doorlopen en de vennootschappen zelf hadden geen beboetbaar feit begaan. De rechtbank sprak van een tunnelvisie bij de Belastingdienst en kende een integrale proceskostenvergoeding toe van bijna € 69.000. De uitspraak markeert hoe hoog de bewijslat ligt bij het persoonlijk beboeten van fiscale adviseurs via de deelnemersboete van artikel 67o AWR.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verbeurdverklaring in mindering op ontnemingsmaatregel: rechtbank past reparatoir karakter toe bij handel in amfetaminehoudende tabletten

Rechtbank Rotterdam 25 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2571

De rechtbank Rotterdam legt in een ontnemingsprocedure aan een veroordeelde de verplichting op tot betaling van 63.500 euro aan de staat. De veroordeelde is eerder veroordeeld voor de handel in afslanktabletten die amfetamine bevatten, in strijd met de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op 77.807,19 euro, gebaseerd op een ontnemingsrapport van de NVWA. De rechtbank gaat voor de berekening uit van een ruimere pleegperiode dan de bewezen verklaarde periode, namelijk vanaf 1 januari 2021. Na aftrek van een in de strafzaak verbeurd verklaard geldbedrag van 14.307,19 euro resteert een betalingsverplichting van 63.500 euro. De maximale duur van de gijzeling bij uitblijven van betaling wordt vastgesteld op 371 dagen.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een ontnemingsprocedure als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De veroordeelde, een natuurlijk persoon geboren in 1986, is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2026 veroordeeld voor onder meer het handelen in afslanktabletten die amfetamine bevatten. Deze tabletten kwalificeren als geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet. De veroordeelde handelt zonder de daarvoor vereiste vergunningen en verzwijgt het schadelijke karakter van de tabletten. De bewezen verklaarde pleegperiode in de strafzaak loopt van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022. Het vonnis in de strafzaak is ten tijde van de ontnemingsprocedure nog niet onherroepelijk.

De ontnemingszaak wordt gelijktijdig met de strafzaak behandeld op de zittingen van 4 en 25 februari 2026. De zaak wordt bij verstek behandeld, met een gemachtigde raadsvrouw als vertegenwoordiger van de veroordeelde. De procedure vindt plaats voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank Rotterdam.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Dit artikel biedt de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld, alsmede andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. De onderliggende veroordeling betreft feiten in strijd met de Opiumwet en de Geneesmiddelenwet, te weten het handelen in afslanktabletten die de verboden stof amfetamine bevatten, zonder vergunning en onder verzwijging van het schadelijke karakter van de tabletten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert, na wijziging van de vordering ter zitting, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van 77.807,19 euro. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling van ditzelfde bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Openbaar Ministerie baseert zich op artikel 36e, tweede lid, Sr en stelt dat sprake is van voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten en van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. De officier van justitie stemt er daarbij mee in dat bedragen die door twee getuigen zijn overgemaakt in mindering worden gebracht op de berekende opbrengst, omdat deze betalingen niet gerelateerd zijn aan de handel in afslanktabletten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stemt in met de matiging van de ontnemingsvordering tot een bedrag van 77.807,19 euro. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging voert geen zelfstandige verweren ten aanzien van de grondslag, de berekeningswijze of de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, anders dan het standpunt dat de bedragen van de twee getuigen in mindering moeten worden gebracht.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat in het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde de strafbare feiten heeft begaan. Op basis van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de NVWA concludeert de rechtbank dat de veroordeelde door middel van deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat er voldoende aanwijzingen bestaan, in die zin dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het gaat daarbij om dezelfde feiten gedurende een langere periode, namelijk vanaf 1 januari 2021. De ontnemingsperiode strekt zich daarmee verder uit dan de bewezen verklaarde pleegperiode in de strafzaak.

De rechtbank oordeelt dat het ontnemingsrapport een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevat. De berekening is voldoende onderbouwd door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen. De verdediging heeft de berekening op een onderdeel na niet weersproken. De rechtbank merkt daarbij op dat bij de schatting steeds is uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie, aan de hand van diens eigen verklaring naar aanleiding van het onderzoek dat aan de berekening ten grondslag ligt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op 79.245,19 euro.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bedragen die door de getuigen zijn overgemaakt, in totaal 1.438 euro, in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst. Deze getuigen hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat de door hen overgemaakte bedragen niets te maken hebben met de afslanktabletten. Na aftrek van dit bedrag stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 77.807,19 euro.

Bewezenverklaring

De bewezenverklaring volgt uit het vonnis in de onderliggende strafzaak. De veroordeelde is veroordeeld voor de volgende feiten:

  • het handelen in afslanktabletten die amfetamine bevatten, in strijd met de Opiumwet

  • het handelen in geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet zonder de daarvoor vereiste vergunningen

  • het verzwijgen van het schadelijke karakter van de tabletten

Deze feiten zijn gepleegd in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022. Voor de ontnemingsberekening gaat de rechtbank uit van een ruimere periode vanaf 1 januari 2021, op grond van voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde ook in die eerdere periode dezelfde strafbare feiten heeft begaan.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 77.807,19 euro. Bij het vaststellen van de betalingsverplichting houdt de rechtbank rekening met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. In de strafzaak is een geldbedrag van 14.307,19 euro op een bankrekening ten name van een derde verbeurd verklaard. Hoewel deze verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, brengt de rechtbank dit bedrag in mindering op de betalingsverplichting. Voor de overige verbeurd verklaarde voorwerpen geldt dat de geldelijke waarde niet gemakkelijk is vast te stellen, zodat deze buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van 63.500 euro, zijnde het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van 77.807,19 euro verminderd met het verbeurd verklaarde bedrag van 14.307,19 euro. Bij deze beslissing neemt de rechtbank de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking.

Op grond van artikel 6:6:25 Sv stelt de rechtbank de maximale duur van de gijzeling vast die kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. De rechtbank hanteert daarbij een staffel op basis van artikel 36e, elfde lid, Sr: voor bedragen tot 50.000 euro geldt een maximum van 360 dagen en voor bedragen tot 500.000 euro een maximum van 720 dagen. Uitgaande van deze verdeling stelt de rechtbank de maximale gijzelingsduur vast op 371 dagen, bestaande uit 360 dagen voor de eerste 50.000 euro en 11 dagen voor het resterende bedrag van 13.500 euro. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor computervredebreuk maar veroordeling voor wederrechtelijk overnemen bedrijfsgeheimen: rechtbank past toetsingskader politiemol-arrest toe

Rechtbank Oost-Brabant 10 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1586

De veroordeelt een voormalig technicus voor het wederrechtelijk overnemen van niet-openbare bedrijfsgeheimen van zijn werkgever, maar spreekt hem vrij van computervredebreuk. De rechtbank past het toetsingskader uit het politiemol-arrest van de Hoge Raad toe en oordeelt dat niet is gebleken dat de verdachte de intentie had het systeem oneigenlijk te gebruiken. De vertrouwelijke bestanden, waaronder design documenten en softwarecode, zijn buiten de beveiligde digitale omgeving gebracht door ze te downloaden naar een werklaptop en te kopieren naar externe harde schijven. Het Openbaar Ministerie eist een gevangenisstraf van drie jaren, maar de rechtbank legt slechts een taakstraf van 60 uren op. De rechtbank weegt mee dat de verdachte niet uit financieel motief heeft gehandeld, niet eerder is veroordeeld en zijn baan is kwijtgeraakt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor aangelegd aanwezig hebben van zendapparatuur: enkele verklaring van eigendom biedt onvoldoende bewijs

Rechtbank Noord-Nederland 16 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:809

De economische politierechter van de rechtbank Noord-Nederland spreekt een verdachte vrij van het medeplegen van aangelegd aanwezig hebben van zendapparatuur zonder vergunning, in strijd met artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet. Op 24 oktober 2024 worden op een perceel in de gemeente Emmen radioapparaten aangetroffen, waaronder een zendmast, antennesystemen en zendversterkers, die met apparatuur op een nabijgelegen locatie zijn verbonden. De verdachte meldt zich bij de politie als eigenaar van de goederen, maar het procesdossier bevat verder onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit. De rechter oordeelt dat de enkele verklaring van eigendom onvoldoende is voor een bewezenverklaring, mede nu de verdachte op de dag van de inbeslagname in Denemarken verbleef. Over de inbeslaggenomen goederen wordt geen beslissing genomen, omdat het beslag is gelegd onder de medeverdachte en niet onder de verdachte.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over de spanning tussen anti-witwasverplichtingen en privacyrecht

Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:392

De Hoge Raad oordeelt in dit tussenarrest dat het enkele opslaan van een pasfoto geen verwerking van biometrische gegevens oplevert in de zin van de AVG, omdat de foto slechts de bron is waaruit biometrische gegevens kunnen worden afgeleid. De zaak betreft een creditcardmaatschappij die de overeenkomst met een kaarthoudster opzegt nadat deze weigert mee te werken aan online identificatie met een kopie van haar identiteitsbewijs en een selfie in het kader van de Wwft. Over de vraag of de Wwft en de vierde anti-witwasrichtlijn instellingen verplichten tot het bewaren van een kopie van een identiteitsbewijs inclusief pasfoto, en hoe die bewaarplicht zich verhoudt tot het AVG-beginsel van minimale gegevensverwerking, stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Read More
Print Friendly and PDF ^