Onderzoek Delos: rechtbank Amsterdam scherpt beoordelingskader voor getuigenverzoeken in ontnemingsprocedure aan en wijst alle verzoeken af

Rechtbank Amsterdam 3 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3799 en ECLI:NL:RBAMS:2026:3800

De rechtbank Amsterdam wijst op 3 april 2026 alle getuigenverzoeken af in twee parallelle ontnemingszaken die voortvloeien uit het onderzoek Delos. Beide veroordeelden zijn in de hoofdzaak veroordeeld voor het medeplegen van grootschalige cocaïne-invoer, terwijl een onherroepelijke veroordeling nog ontbreekt. De rechtbank formuleert een eigen beoordelingskader voor getuigenverzoeken in ontnemingsprocedures, waarbij het verschil met de strafzaak centraal staat. Toewijzing van getuigen in het hoger beroep van de strafzaak betekent niet zonder meer dat dezelfde getuigen in de ontneming gehoord moeten worden. De verdediging dient concreet te onderbouwen welke aspecten van de ontnemingsrapportage de getuige kan raken en hoe diens verklaring de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan beïnvloeden. Bij gebreke van die specifieke onderbouwing wijst de rechtbank zowel de drugs- als de witwasgerelateerde getuigenverzoeken integraal af.

Inleiding en context

De rechtbank Amsterdam neemt op 3 april 2026 in twee samenhangende ontnemingsprocedures, voortvloeiend uit het onderzoek Delos, twee gelijktijdige regiebeslissingen op de onderzoekswensen van de verdediging. Beide zaken betreffen natuurlijke personen. De eerste veroordeelde is geboren in 1978, heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en is gedetineerd. De tweede veroordeelde is geboren in 1985 en eveneens gedetineerd. In de strafzaken zijn de veroordeelden door dezelfde rechtbank veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het invoeren van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne. In de eerste zaak gaat het om 1.703 kilogram cocaïne, waarbij de strafzaak daarnaast een witwascomponent omvat rond een appartement in Dubai. In de tweede zaak betreft het partijen van 1.500 en circa 200 kilogram cocaïne. Beide veroordelingen zijn niet onherroepelijk; de strafzaken zijn aanhangig in hoger beroep bij het gerechtshof. Voorafgaand aan de regiezitting heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat ter zitting zal worden besproken welke van de door het gerechtshof in het hoger beroep van de strafzaak toegewezen getuigen de verdediging ook in de ontnemingsprocedure wil horen. Op respectievelijk 11 en 16 maart 2026 dient de verdediging haar onderzoekswensen in. Het Openbaar Ministerie reageert op 25 maart 2026. Op 31 maart 2026 deelt de rechtbank het door haar te hanteren beoordelingskader mee, waarna in de eerste zaak het Openbaar Ministerie nog een aanvullend standpunt inneemt op 1 april 2026.

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsprocedure een ander karakter draagt dan de strafprocedure. De ontnemingsrechter is gebonden aan het oordeel van de strafrechter in de hoofdzaak, maar komt een zelfstandig oordeel toe ten aanzien van alle verweren die zien op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. De rechtbank verwijst hiervoor naar HR ECLI:NL:HR:2010:BK3424. Indien een getuigenverzoek wordt gedaan in verband met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdeling daarvan of de gemaakte kosten, kan de rechter bij de beoordeling betrekken of het verzoek, in het licht van de door het Openbaar Ministerie aan de vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, is voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt waarom het horen van die getuige van belang is voor die beslissing. De rechtbank verwijst hiervoor naar HR ECLI:NL:HR:2021:1749. Ook mag de rechter in zijn beoordeling betrekken de mate waarin het standpunt van het Openbaar Ministerie op voorhand aannemelijk kan worden geacht, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal voor laatstgenoemd arrest en HR ECLI:NL:HR:2022:147. De rechtbank benadrukt expliciet dat de toewijzing van een getuige door het gerechtshof in het hoger beroep van de strafzaak niet zonder meer meebrengt dat het horen van die getuige ook in de ontnemingszaak van belang is. De reden om de verzoeken voorlopig tot deze categorie te beperken is gelegen in efficiëntie: dubbele verhoren moeten waar mogelijk worden voorkomen.

Onderzoekswensen en standpunten van partijen

In de zaak met parketnummers 13.083796.22 en 13.303148.22 verzoekt de verdediging na nadere afbakening ter zitting om vijf getuigen in de drugscomponent te horen, alsmede vier getuigen in de witwascomponent. De drugsgerelateerde getuigen kunnen volgens de verdediging verklaren over Sky-communicatie, het gebruik van Sky-accounts, het invoeren van de cocaïne, de betrokkenheid van de veroordeelde en de opbrengst, kosten en verdeling van de verkoop. De witwasgerelateerde getuigen worden verzocht in verband met de inrichting en aanschaf van de woning in Dubai, alsmede in verband met een aangetroffen document waaruit een bedrag aan sloop- en verbouwingskosten van € 318.422 zou blijken. Het Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen het horen van twee drugsgetuigen, maar wel tegen de overige drie drugsgetuigen en alle vier witwasgetuigen.

In de zaak met parketnummers 13.154767.21 en 13.326899.21 verzoekt de verdediging om zeven getuigen te horen. Vijf van hen worden in verband gebracht met een transport van 1.500 kilogram cocaïne en zouden volgens de verdediging kunnen verklaren over de rol van de betrokkenen, de opbrengsten en kosten, de verdeling en een diefstal van een deel van de partij. De overige twee getuigen worden in verband gebracht met een partij van ongeveer 200 kilogram cocaïne; de verdediging wenst hen te horen over de rol van de veroordeelde, de vraag of daadwerkelijk cocaïne is verzonden en zo ja over de opbrengsten, kosten en verdeling. Het Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen vijf getuigen, maar wel tegen twee niet-geïdentificeerde gebruikers van Sky-accounts, omdat zij niet kunnen worden opgeroepen.

In de eerste zaak doet de waarnemend raadsvrouw bovendien een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding voor het geval de verzoeken niet integraal worden toegewezen, omdat de veroordeelde anders het risico zou lopen dat verzoeken worden afgewezen indien de waarnemer vragen van de rechtbank niet afdoende kan beantwoorden.

Oordeel van de rechtbank

In beide zaken wijst de rechtbank alle getuigenverzoeken af. De rechtbank stelt voorop dat de veroordeelden in de strafzaak zijn veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het invoeren van de genoemde hoeveelheden cocaïne en dat hoewel deze veroordelingen niet onherroepelijk zijn, daarvan in de ontnemingsprocedure thans moet worden uitgegaan. In de ontnemingsrapportage is een berekening gemaakt van de geschatte opbrengst per kilo, de eventuele in mindering te brengen kosten en de toerekening van het geschatte voordeel. Tegen deze achtergrond en het hiervoor weergegeven toetsingskader is de enkele stelling dat de getuigen kunnen verklaren over vraagstukken die in het algemeen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van een ontnemingsvordering, onvoldoende om hen toe te wijzen. Uit de verzoeken blijkt namelijk niet welke aspecten van de in het rapport gepresenteerde berekening bijstelling behoeven en hoe de verzochte getuigen daaraan kunnen bijdragen.

Voor de witwasgerelateerde getuigen in de eerste zaak overweegt de rechtbank specifiek dat de stelling van de veroordeelde dat de woning grotendeels door een derde is betaald en dat de inrichting door diens neef is gefinancierd, ontoereikend is onderbouwd ter rechtvaardiging van het horen van de getuigen die over die financiering zouden kunnen verklaren. Ten aanzien van de getuigen die zouden kunnen verklaren over het document met de verbouwingskosten van € 318.422 ontbreekt het belang om hen te horen, nu de rechtbank in de strafzaak op dit onderdeel is uitgegaan van een bedrag van € 100.000, ontleend aan de verklaring van de veroordeelde zelf en niet aan dat document. Ook de ontnemingsrapportage gaat van dit lagere bedrag uit.

Het voorwaardelijk aanhoudingsverzoek wijst de rechtbank af. De vaste raadsman heeft de onderzoekswensen zelf ingediend, de schriftelijke standpunten zijn tijdig uitgewisseld en het beoordelingskader is op 31 maart 2026 aan partijen voorgehouden, zodat zij niet ter zitting konden worden overvallen. Aan de waarnemend raadsvrouw zijn ter zitting geen vragen gesteld die zagen op de toewijsbaarheid van de verzoeken, zodat de veroordeelde niet in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank wijst er in beide beslissingen op dat begin mei 2026 bij het gerechtshof een nieuwe regiezitting plaatsvindt waarop het hof zal beoordelen of het kan oordelen over (herhaalde) Sky- en Encro-verzoeken. Indien het Openbaar Ministerie naar aanleiding van die beslissing aanleiding ziet de ontnemingszaak opnieuw aan te brengen, kunnen op een nieuwe regiezitting van de rechtbank onderzoekswensen worden voorgelegd die geen betrekking hebben op de reeds door het gerechtshof in de strafzaak toegewezen getuigen. De rechtbank ziet thans, anders dan het Openbaar Ministerie heeft verzocht, geen aanleiding om termijnen vast te stellen voor schriftelijke rondes voorafgaand aan die nieuwe regiezitting, omdat dit afhankelijk is van de planning en de volgende zittingscombinatie.

Beslissing

De rechtbank wijst in beide zaken de verzoeken tot het horen van getuigen af, schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd en beveelt de oproeping van de veroordeelde tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman. Beide beslissingen zijn genomen door de zittingscombinatie van mr. C. Bruil als voorzitter, mrs. A.H.E. van der Pol en M. Nieuwenhuijs als rechters, in aanwezigheid van mr. C. Wolswinkel als griffier.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak ECLI:NL:RBAMS:2026:3799 en hier de volledige uitspraak in de zaak ECLI:NL:RBAMS:2026:3800.

Print Friendly and PDF ^