Chauffeur bij bankhelpdeskfraude: rechtbank Limburg ziet medeplichtigheid waar OM medeplegen vorderde

De rechtbank Limburg heeft op 28 april 2026 vonnis gewezen in een zaak van bankhelpdeskfraude waarin de verdachte zijn zoon naar de woningen van twee slachtoffers en naar pinlocaties had vervoerd. De rechtbank sprak vrij van het primair tenlastegelegde medeplegen en achtte enkel de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid bewezen. Voor het medeplegen ontbrak volgens de rechtbank de vereiste significante bijdrage. Wel oordeelde de rechtbank dat de verdachte uit een Snapchatgroepschat wetenschap had van de fraude die zijn zoon zou plegen. De zaak biedt een illustratief voorbeeld van de afgrenzing tussen artikel 47 en artikel 48 Sr in zaken van helpdeskfraude, een fenomeen dat in Nederland nog steeds grote schade veroorzaakt.

De feiten: chauffeursdiensten op 6 en 21 april 2023

De zaak betrof drie aangevers, alle slachtoffers van klassieke bankhelpdeskfraude. Onbekend gebleven personen belden de slachtoffers op, deden zich voor als bankmedewerker of als politieagent, en lieten een koerier langskomen om bankpas en pincode op te halen. Met de buitgemaakte passen werd vervolgens gepind of gewinkeld. In de bewezen verklaarde gevallen ging het om bedragen van 500 euro (gepind bij een Geldmaat) en 2.099 euro (besteed aan twee iPhones bij MediaMarkt Maastricht).

De zoon van de verdachte (medeverdachte) belde aan bij de slachtoffers en haalde de passen op. De verdachte zelf trad op als chauffeur. Hij heeft ter zitting bekend dat hij zijn zoon naar de woningen en pinlocaties heeft gereden. Voor de derde aangever ging de rechtbank over tot partiële vrijspraak, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte daarbij als chauffeur was opgetreden.

Wetenschap via een Snapchatgroep

Een centraal punt in het bewijs vormde een Snapchatgroepschat waaraan zowel de verdachte als zijn zoon onder eigen accountnaam deelnamen. In die chat werden adressen van potentiële slachtoffers ("vissen") gedeeld, instructies gegeven over het ophalen van de passen en de daaropvolgende pintransacties. Postcodes, identificatiecodes voor het ophalen en zelfs de pincode voor de aankoop bij MediaMarkt werden via de groepsapp uitgewisseld.

De verdediging voerde aan dat niet de verdachte zelf, maar zijn zoon via de telefoon van de verdachte aan de groep deelnam. De rechtbank verwierp dat verweer. Beide accounts waren gelijktijdig actief geweest, en in een bericht van 22 april 2023 had de verdachte vanuit zijn eigen account expliciet aangegeven dat hij die dag niet als chauffeur kon optreden, omdat hij zijn benzine al had opgereden. Daaruit volgt dat de verdachte zelfstandig in de groep deelnam en uit de gedeelde berichten kennis had van de modus operandi.

Medeplegen of medeplichtigheid?

Voor de strafrechtelijke kwalificatie was de kernvraag of de bijdrage van de verdachte voldoende gewicht had om medeplegen aan te nemen. Volgens het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 vereist medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking, met een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht. Wanneer het tenlastegelegde feitelijk bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van vervoer, rust op de rechter een zware motiveringsplicht.

De rechtbank Limburg oordeelde dat de rol van de verdachte uitsluitend die van chauffeur was geweest. Hij had de slachtoffers niet zelf gebeld, geen passen opgehaald, niet gepind en niet meegedeeld in de buit. Daarmee was de bijdrage volgens de rechtbank van onvoldoende gewicht voor medeplegen. Wel kwalificeerde de rechtbank het handelen als opzettelijk behulpzaam zijn in de zin van artikel 48 Sr, gelet op de wetenschap die uit de groepsapp bleek.

De uitkomst staat in contrast met een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 februari 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:365), waarin het hof in een vergelijkbaar feitencomplex juist tot medeplegen kwam. In die zaak vervoerde de verdachte een medeverdachte op een scooter, was hij actief in de Snapchatgroep en deelde hij volgens het hof mee in de buit. Dat laatste element, het meedelen in de opbrengst, ontbrak in de Limburgse zaak. Beide uitspraken laten zien hoe casuïstisch de afweging tussen medeplegen en medeplichtigheid is en hoe het meedelen in de buit de doorslag kan geven.

Strafmaat en overschrijding van de redelijke termijn

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van negen maanden, mede gebaseerd op een bewezenverklaring van medeplegen. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur op, met aftrek van voorarrest en vervangende hechtenis van 120 dagen. Bij de strafmaat woog de rechtbank mee dat in vergelijkbare zaken aan plegers van bankhelpdeskfraude doorgaans gevangenisstraffen van drie tot vijf maanden worden opgelegd, en dat straffen voor medeplichtigen vaak een derde lager uitvallen. Aanvullend werd rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, waaronder een afgeronde verslavingsbehandeling, en met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij in de zaak waarin partiële vrijspraak werd uitgesproken, werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat aan de vordering een feitencomplex ten grondslag lag waarvoor de verdachte niet werd veroordeeld. Opvallend is dat de rechtbank ook de gevorderde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de twee andere slachtoffers afwees. De rechtbank overwoog dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld wie de schade daadwerkelijk had geleden. Het is mogelijk dat de slachtoffers door hun bank zijn vergoed en dat de bank op haar beurt een verzekering heeft aangesproken. Dit aspect staat niet op zichzelf en raakt aan een bredere ontwikkeling: het Kifid heeft recent geoordeeld dat banken slachtoffers van bankhelpdeskfraude in voorkomende gevallen vaker dienen te compenseren wanneer zij geraffineerd zijn benaderd.

Bankhelpdeskfraude in cijfers

Bankhelpdeskfraude blijft een van de meest voorkomende vormen van fraude in Nederland. Volgens de Fraudehelpdesk ontving die instantie in 2025 ruim 100.000 meldingen, met een totale gemelde schade van bijna 69 miljoen euro. De Nederlandse Vereniging van Banken signaleerde dat het aantal slachtoffers in 2025 wel daalde tot bijna 5.900, maar dat het ontfutselde bedrag per geval hoger lag dan in 2024. Een fysiek vervolg op het telefonische contact, waarbij koeriers passen of waardevolle goederen aan de deur ophalen, is een vast bestanddeel van de modus operandi.

Afsluiting

Het vonnis van de rechtbank Limburg illustreert hoe een chauffeursrol bij bankhelpdeskfraude kan worden gewogen wanneer wetenschap aantoonbaar is, maar een aandeel in voorbereiding, uitvoering of buitverdeling ontbreekt. De rechtbank kiest voor de figuur van de medeplichtigheid en laat de schadevergoedingsmaatregelen achterwege vanwege onduidelijkheid over het feitelijk geleden nadeel. De uitspraak past binnen een bredere lijn van rechtspraak waarin de afgrenzing tussen artikel 47 en artikel 48 Sr per geval wordt beoordeeld aan de hand van het overzichtsarrest van 2 december 2014, en waarin het meedelen in de buit een terugkerend onderscheidend element vormt.

Print Friendly and PDF ^