Vrijgesproken van contante giften, toch ontneming via kasopstelling
/Op 23 april 2026 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest gewezen in een ontnemingszaak die volgde op een veroordeling wegens passieve ambtelijke omkoping en schending van het ambtsgeheim. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op afgerond € 144.858 en legt een betalingsverplichting op van € 135.426. Centraal in het arrest staat de vraag of de schatting van het voordeel mede mag worden gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling, terwijl de betrokkene in de strafzaak juist was vrijgesproken van het aannemen van twee specifieke contante betalingen van € 100.000 en € 14.000. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en baseert de ontneming op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr. Daarmee bevestigt het hof de vaste lijn dat een abstracte berekeningsmethode niet zonder meer in strijd komt met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM, ook niet wanneer in de strafzaak partieel is vrijgesproken.
De zaak in eerste aanleg en in hoger beroep
De betrokkene is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2022 veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping in de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2014, en voor het schenden van zijn ambtsgeheim. In het strafvonnis is een breed pakket aan giften bewezen verklaard, waaronder twee Samsung-televisies, een badkamer, een keuken, een Piaggio-scooter, een Rolex, een Apple iWatch, stucwerk, onderhoudsbeurten aan twee voertuigen en diverse bedragen voor montage en plaatsing. De totale waarde van de bewezenverklaarde giften bedroeg € 65.797,56. Voor twee in de tenlastelegging opgenomen contante betalingen van € 100.000 en € 14.000 is de betrokkene echter vrijgesproken.
In de ontnemingszaak in eerste aanleg had het openbaar ministerie een vordering ingediend van € 140.426,67. De rechtbank Amsterdam stelde het voordeel bij vonnis van 26 januari 2024 vast op € 65.866,44 en legde een betalingsverplichting op van € 61.434,94. Tegen dat vonnis ging het openbaar ministerie in hoger beroep. In hoger beroep vorderde de advocaat-generaal € 129.142,19, opgebouwd uit de bewezenverklaarde giften, een bedrag van € 68,88 voor vier VIP-entreebewijzen voor een rugbytoernooi, en een bedrag uit een kasopstelling. De verdediging stelde zich op het standpunt dat het voordeel uitsluitend kon worden vastgesteld op het bedrag aan bewezenverklaarde giften, omdat het meenemen van het kasopstellingsresultaat in strijd zou komen met de onschuldpresumptie, gelet op de partiële vrijspraak voor de twee contante betalingen.
Het juridisch kader van artikel 36e Sr
Voor de buitenstaander lijkt de structuur van artikel 36e Sr op het eerste gezicht een glijdende schaal, waarin de gronden voor ontneming steeds verder afstaan van het concreet bewezenverklaarde feit. Op grond van het tweede lid kan de verplichting worden opgelegd voor voordeel dat is verkregen uit het bewezenverklaarde feit zelf, of uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Het derde lid van artikel 36e Sr verlaagt vervolgens de bewijsdrempel verder: bij een veroordeling wegens een misdrijf waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld, kan ontneming volgen indien aannemelijk is dat dat misdrijf óf andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel zich ertegen verzet de schatting van het voordeel op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr te baseren. Dat sluit aan bij vaste rechtspraak van de Hoge Raad. In zijn arrest van 10 april 2018 overwoog de Hoge Raad expliciet dat de eenvoudige kasopstelling niet alleen in aanmerking komt bij toepassing van het derde lid, maar ook bij toepassing van het tweede lid van artikel 36e Sr, mits het uit die berekening volgende bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het bewezenverklaarde feit of aan andere strafbare feiten als bedoeld in dat tweede lid.
De spanning met de onschuldpresumptie: Geerings en wat erna kwam
De vraag of een ontnemingsvordering mag worden gegrond op feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken, raakt het hart van de in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde onschuldpresumptie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in zijn arrest van 1 maart 2007 in de zaak Geerings tegen Nederland dat het ontnemen van voordeel uit feiten waarvan de betrokkene was vrijgesproken, in strijd kwam met die presumptie. In Geerings was de Nederlandse rechter via de weg van artikel 36e lid 2 (oud) Sr en het begrip "soortgelijke feiten" tot ontneming gekomen, en juist die concrete koppeling aan de vrijgesproken feiten was voor het Hof problematisch.
Tegelijkertijd had het EHRM in eerdere zaken, waaronder Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk van 5 juli 2001 en Van Offeren tegen Nederland van 5 juli 2005, laten zien dat een abstracte berekeningsmethode, waarbij vermogen of contant geld zonder aanwijsbare legale herkomst centraal staat, niet zonder meer op gespannen voet staat met de onschuldpresumptie. De Hoge Raad heeft die lijn vervolgens bestendigd. In zijn arrest van 8 oktober 2019 overwoog de Hoge Raad dat bij een berekening volgens de methode van eenvoudige kasopstelling geen verband wordt gelegd tussen het feit waarvan de verdachte is vrijgesproken en het geconstateerde voordeel, zodat een vrijspraak geen beletsel vormt voor oplegging van een ontnemingsmaatregel die is gebaseerd op artikel 36e lid 3 Sr.
Het oordeel van het hof: de kasopstelling als abstracte methode
Tegen die achtergrond beoordeelt het hof het verweer van de verdediging. Volgens de raadsman zou het via de kasopstelling in aanmerking nemen van contante uitgaven feitelijk neerkomen op het alsnog ontnemen van voordeel uit de twee contante betalingen waarvoor de betrokkene was vrijgesproken. Het hof verwerpt dat verweer. Bij toepassing van een kasopstelling wordt, zo overweegt het hof, geen relatie gelegd met specifieke strafbare feiten. De verschillende posten waaruit de kasopstelling is opgebouwd, betreffen contante uitgaven die in de onderzochte periode zijn gedaan, afgezet tegen de contante legale ontvangsten. Het saldo, het surplus boven die legale ontvangsten, wordt niet rechtstreeks in verband gebracht met specifieke delicten.
Het hof concludeert dat het resultaat van de kasopstelling niet in een rechtstreeks verband kan worden gebracht met het aannemen van giften in de vorm van contante geldbedragen waarvoor de betrokkene was vrijgesproken. Met de ontneming op basis van de kasopstelling wordt daarom niet alsnog de schuld van de betrokkene aangenomen aan een strafbaar feit waarvoor hij is vrijgesproken. Omdat passieve ambtelijke omkoping een misdrijf is waarop een geldboete van de vijfde categorie staat, en het hof aannemelijk acht dat andere feiten op enigerlei wijze hebben geleid tot de onverklaarbare contante uitgaven, is ook aan de eisen van het derde lid van artikel 36e Sr voldaan. De ontneming wordt vervolgens gegrond op zowel het tweede als het derde lid van die bepaling.
De schatting van het voordeel: drie componenten
De schatting valt uiteen in drie componenten. Allereerst neemt het hof het volledige bedrag aan bewezenverklaarde giften over, te weten € 65.797,56. Daarnaast wordt op grond van het tweede lid van artikel 36e Sr een bedrag van € 68,88 in aanmerking genomen voor vier VIP-entreebewijzen voor een rugbytoernooi in 2014. Het hof oordeelt dat uit de in het ontnemingsrapport opgenomen chatberichten en boekhouding voldoende aanwijzingen volgen dat de betrokkene deze kaarten op vergelijkbare wijze als de bewezenverklaarde feiten heeft verlangd en gekregen.
De derde component, het saldo uit de kasopstelling, bedraagt € 78.991,72 en is opgebouwd uit een negatieve kas van € 37.388,57, kosten huishouden van € 20.511,77, overige contante aankopen van € 15.306,32 en voorgeschoten contante betalingen van € 5.785,06. Het hof verwerpt onder meer het verweer dat de betrokkene en zijn partner een economische eenheid zouden vormen, omdat zij niet samenwoonden en betalingen feitelijk gescheiden werden gehouden. Ook ten aanzien van de Nibud-norm voor huishoudelijke uitgaven volgt het hof het ontnemingsrapport, dat uitgaat van vijf van de zeven dagen per week. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee uit op € 144.858,16.
Verbeurdverklaring en redelijke termijn
Op de betalingsverplichting brengt het hof € 4.431,50 in mindering, omdat in het strafvonnis de verbeurdverklaring is uitgesproken van een Samsung-televisie van € 2.100,00 en een Piaggio-scooter van € 2.331,50. Door die verbeurdverklaring is een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel reeds ontnomen.
Daarnaast oordeelt het hof dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. De redelijke termijn ving aan op 30 oktober 2017, de datum waarop het strafrechtelijk financieel onderzoek werd ingesteld en waarvan een afschrift van de machtiging aan de betrokkene werd uitgereikt. Het hof berekent de overschrijding in eerste aanleg op ongeveer vier jaar en drie maanden en in hoger beroep op ruim twee maanden. Anders dan de advocaat-generaal had betoogd, kan volgens het hof niet worden aangenomen dat de overschrijding al was gecompenseerd in de strafzaak: er was geen sprake van (nagenoeg) gelijktijdige berechting en tegen het strafvonnis is geen hoger beroep ingesteld. Het hof matigt de betalingsverplichting daarom met € 5.000,00 en komt zo uit op een betalingsverplichting van € 135.426,66, met een gijzeling van ten hoogste 1.080 dagen.
Afsluiting
Het arrest van het hof Amsterdam past in een bestendige lijn waarin de Nederlandse rechter de abstracte berekeningsmethoden, en in het bijzonder de eenvoudige kasopstelling, in beginsel verenigbaar acht met de onschuldpresumptie, ook na een partiële vrijspraak. De motivering van het hof, dat een kasopstelling geen rechtstreeks verband legt met specifieke strafbare feiten en daarmee de schuld aan vrijgesproken feiten niet alsnog veronderstelt, sluit aan bij eerdere arresten van de Hoge Raad uit 2017, 2018 en 2019. De zaak laat tegelijkertijd zien hoe in een ontnemingsprocedure de gronden van het tweede en het derde lid van artikel 36e Sr naast elkaar kunnen worden ingezet: bewezenverklaarde giften en aanwijsbare soortgelijke voordelen op grond van het tweede lid, en onverklaarbare contante uitgaven op grond van het derde lid. Of de Hoge Raad in een eventueel vervolg op deze zaak aanleiding ziet de gehanteerde redenering nader te toetsen, zal de tijd uitwijzen.
