HR herhaalt beoordelingskader overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en vraag welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden

Hoge Raad 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1552

De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van oplichting van energiebedrijf Rendo via een constructie met verborgen belangen in SGI. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar en een taakstraf van 240 uur op, wegens overschrijding van de redelijke termijn. In cassatie wordt geklaagd dat het hof de redelijke termijn onjuist heeft beoordeeld. De Hoge Raad oordeelt dat het hof inderdaad het beoordelingskader heeft miskend. Toch volgt geen cassatie, omdat het opgelegde rechtsgevolg passend is. Wel vermindert de Hoge Raad ambtshalve de taakstraf naar 216 uur wegens vertraging in cassatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

EHRM: Naheffing btw geen straf

EHRM 23 september 2025, Italmoda Mariano Previti and Others v. the Netherlands, Application no. 16395/18

Het EHRM oordeelt dat een btw-naheffing geen straf is in de zin van artikel 7 EVRM. De naheffingsaanslagen worden opgelegd omdat Italmoda wist of had moeten weten dat zij deelnam aan btw-fraude. Volgens het Hof vloeien deze aanslagen voort uit het niet-voldoen aan de voorwaarden van het btw-stelsel en hebben zij een herstellend, niet-bestraffend doel. Het Hof volgt daarmee het eerdere arrest van het Hof van Justitie. De maatregelen hebben geen punitief karakter en zijn beperkt tot de verschuldigde belasting. De klacht is daarom kennelijk ongegrond en ratione materiae onverenigbaar met het EVRM.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Grondslagverlating bij witwasveroordeling: Hoge Raad corrigeert hof in martelcontainerzaak

Hoge Raad 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1516

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de zogenoemde martelcontainerzaak, voor zover de verdachte is veroordeeld voor gewoontewitwassen. Het hof had vastgesteld dat de verdachte slechts redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was, wat duidt op schuldwitwassen, terwijl voor gewoontewitwassen opzet is vereist. Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. De Hoge Raad spreekt de verdachte vrij van het bestanddeel ‘gewoonte’, past de kwalificatie aan naar schuldwitwassen en medeplegen daarvan, en wijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging. De overige cassatieklachten worden verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Belastingfraude onder leiding van schijnwerknemer: ondernemer veroordeeld tot 14 maanden cel

Rechtbank Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7276

De rechtbank veroordeelt een man tot 14 maanden gevangenisstraf voor feitelijke leiding aan belastingfraude. Hij zorgt ervoor dat zijn BV tussen februari 2018 en oktober 2019 ruim 462.000 aan loonheffingen niet afdraagt, ondanks voldoende financiële middelen. Getuigen verklaren dat hij als 'de baas' fungeert, hoewel hij formeel geen bestuurder is. De rechtbank acht bewezen dat hij bewust leiding gaf aan de fraude. Vrijspraak volgt voor deelname aan een criminele organisatie wegens gebrek aan bewijs. De straf blijft binnen het landelijke oriëntatiepunt voor fraude van deze omvang.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: De schaduwzijde van meer bescherming

Het zal weinigen zijn ontgaan dat de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld recentelijk is uitgebreid. Met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven per 1 juli 2024 is het verouderde ‘dwangmodel’ bij aanranding en verkrachting vervangen door een nieuw ‘consentmodel’. Daarin draait het niet langer om het ‘doorbreken’ van de wil van de ander, maar ontstaat strafbaarheid al als ten tijde van het seksueel contact sprake was van een ‘ontbrekende wil’. De strafrechtelijke bescherming is nog verder verruimd door verlaging van de ondergrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bij aanranding en verkrachting naar ‘ernstige reden om te vermoeden’ dat de wil tot seksueel contact bij de ander ontbreekt (de nieuwe schulddelicten in art. 240 en 242 Sr). Het verwijt dat de pleger in dat geval wordt gemaakt is dat hij zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn geweest op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij de ander en op dit punt dus een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Door de wetgever wordt benadrukt dat als gevolg van deze nieuwe ondergrens bij degene die het (verdergaande) seksuele contact initieert de verantwoordelijkheid komt te liggen om goed in het oog te houden of sprake is van een vrije positieve wilsuiting bij de ander. De wederkerigheid van het seksuele contact vraagt immers om een grote mate van verantwoordelijkheid voor het eigen handelen en om bewustzijn van het (verbale en non-verbale) gedrag van de ander, aldus de wetgever.

Read More
Print Friendly and PDF ^