Extrapolatiemethode FIOD houdt stand: hof bevestigt ontneming van 642.915 wegens illegale geneesmiddelenhandel

Gerechtshof Amsterdam 4 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3703

In deze ontnemingszaak stelt het hof vast dat de betrokkene door opzettelijke overtredingen van de Geneesmiddelenwet, de Opiumwet en witwassen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 juni 2018 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de productie en groothandel in illegale anabolen, erectie bevorderende middelen en Somatropine. Het openbaar ministerie baseert de berekening op een FIOD-rapport waarin zeventien onderschepte postpakketten met grondstoffen representatief worden geacht voor in totaal 217 vergelijkbare zendingen, hetgeen na extrapolatie leidt tot een geschat voordeel van 1.285.831 en een gevorderde betalingsverplichting. De verdediging betwist de extrapolatiemethode en presenteert een alternatieve herberekening met aanzienlijk lagere productieaantallen, kosten en een verdeelsleutel waarbij de betrokkene slechts 30 procent van de winst zou ontvangen. Het hof verwerpt deze verweren wegens gebrek aan onderbouwing, acht de FIOD-berekening representatief en volgt een pondspondsgewijze verdeling van 50 procent tussen de betrokkene en de laborant.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontbrekend zittingsproces-verbaal fataal voor ontnemingsarrest

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:181

Dit betreft een ontnemingszaak waarin het gerechtshof Amsterdam in 2009 een betalingsverplichting oplegt van 27.161,94 euro wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit onder meer diefstal, oplichting en witwassen. In cassatie klaagt de betrokkene dat het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard in de ontnemingsvordering en dat het hof ten onrechte verstek tegen hem heeft verleend. Voor de beoordeling van deze klachten is het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van essentieel belang. Uit informatie van de griffier blijkt echter dat dit proces-verbaal niet meer beschikbaar is en ook niet kan worden gereconstrueerd. Daardoor kan de Hoge Raad niet toetsen wat zich ter terechtzitting heeft voorgedaan en of het middel terecht is voorgesteld, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en afdoening.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsvordering als vangnet bij grootschalige bankhelpdeskfraude strandt op verdelingsvraagstuk

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:813

De rechtbank behandelt een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die op dezelfde datum wordt veroordeeld voor onder meer medeplegen van oplichting in 153 gevallen van bankhelpdeskfraude. Het Openbaar Ministerie vordert ontneming van ruim 454.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een pondspondsgewijze verdeling. De verdediging stelt dat slechts 18 feiten aan veroordeelde kunnen worden toegerekend en bepleit een veel lager bedrag dan wel nihil, mede gelet op gemaakte kosten en schadevergoedingen. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op 334.288,03 na aftrek van kosten voor aangekochte leads. Vanwege de samenloop met hoofdelijk toegewezen schadevergoedingen en onduidelijkheid over de onderlinge draagplicht stelt de rechtbank de betalingsverplichting op nihil.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsvordering strandt na elf jaar stilstand: officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ernstige termijnoverschrijding

Rechtbank Amsterdam 20 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1137

Deze zaak betreft een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde wegens medeplegen van oplichting in de periode 2002–2005. De officier van justitie dient in 2010 een vordering in tot betaling van 59.959,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Na toewijzing van een getuigenverzoek in 2010 blijft de zaak ruim elf jaar stil liggen. Bij hervatting in 2026 vordert de officier van justitie zelf niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat het extreme tijdsverloop en het uitblijven van essentieel getuigenverhoor een eerlijke behandeling onmogelijk maken. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en er wordt geen betalingsverplichting opgelegd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanvangsmoment redelijke termijn in ontnemingszaak: voornemen van de officier van justitie beslissend

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167

In deze ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen stelt het hof het voordeel vast op grond van artikel 36e lid 3 Sr met toepassing van de eenvoudige kasopstelling en legt een betalingsverplichting van 149.387,60 euro op. In cassatie klaagt de betrokkene dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM.
Volgens het middel moet die termijn aanvangen bij de start van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv en niet bij het kenbaar gemaakte voornemen van de officier van justitie ex artikel 311 lid 1 Sv. De Hoge Raad herhaalt zijn rechtspraak dat het aan de feitenrechter is het aanvangsmoment vast te stellen en dat dit oordeel in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^