Vereiste opzet voor bewezenverklaring voordeel trekken uit nalaten tijdig gegevens te verstrekken

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10016

Het hof stelt voorop dat het voordeel trekken uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen goed alleen strafbaar is indien dit opzettelijk geschiedt, waarbij het (voorwaardelijk) opzet niet alleen moet zijn gericht op het voordeel trekken maar ook op het feit dat de opbrengst uit een door misdrijf verkregen goed komt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Rechter in quarantaine mag meedoen aan berechting

Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een strafzitting mag worden gehouden terwijl een van de rechters zich in quarantaine bevindt wegens de coronamaatregelen en deze rechter wel via een tweezijdig elektronisch medium met de rechters en de procespartijen in de zittingszaal kan communiceren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak valselijk opmaken asbestinventarisatierapport wegens onvoldoende bewijs voor (voorwaardelijk) opzet

Rechtbank Rotterdam 4 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11297

Daargelaten de vraag of de verdachte het in de tenlastelegging genoemde asbestinventarisatierapport al dan niet terecht heeft gekwalificeerd als “type A”, geldt dat voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde in ieder geval is vereist dat de verdachte enige onjuistheid van het rapport en de mogelijke consequenties daarvan opzettelijk heeft gewild. Een dergelijk opzet kan aangenomen worden als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op die onjuistheid, waaronder in dit geval óók valt het mogelijke gevolg van het door zijn onderzoek missen van asbesthoudende toepassingen, heeft aanvaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. betrekken van niet ten laste gelegde feiten bij de strafoplegging

Hoge Raad 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1972

Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat het de rechter op zichzelf vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit waarvoor de verdachte niet onherroepelijk is veroordeeld wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling rechtspersoon voor medeplegen belastingfraude: 648 valse facturen voor ‘juridisch uitzoekwerk’ in administratie

Rechtbank Amsterdam 6 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5851

De Belastingdienst heeft in 2018 een landelijke steekproef ondernemingen gehouden op ingediende belastingaangiften. Op 28 maart 2018 is bij de accountant het dossier van verdachte gecontroleerd door de Belastingdienst. Bij de controleambtenaar vielen inkoopfacturen in de administratie van verdachte op vanwege de omschrijving ‘juridisch uitzoekwerk’ en het feit dat op deze facturen btw in rekening werd gebracht, terwijl er geen btw-nummer en geen KvK-nummer van de presterende onderneming op de factuur waren vermeld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Vordering benadeelde rechtspersoon: toewijzing afschrijvingskosten op (kostbare) apparatuur die benadeelde na enkele jaren retour heeft ontvangen

Rechtbank Midden-Nederland 2 december 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5250

De goederen waarvan de benadeelde partij de schade heeft begroot op 17.523,72 euro zijn inbeslaggenomen onder medeverdachte 1. In het tegen deze medeverdachte gewezen strafvonnis van 2 december 2020 is de teruggave gelast van deze goederen aan bedrijf 2 B.V. Dit betekent dat de vordering voor wat betreft deze kosten door de benadeelde partij wordt beperkt en thans (nog) strekt tot vergoeding van afschrijvingskosten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over bestanddelen uit Wft “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” en “met zetel in Nederland”

Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906

Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat voor het bewijs van het “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” in ieder geval is vereist dat de desbetreffende betaaldiensten “niet slechts incidenteel” zijn verleend en dat het verlenen van betaaldiensten dus meermalen heeft plaatsgevonden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontneming na beleggingsfraude: Rb stelt betalingsverplichting op nihil, geen aanknopingspunten dat veroordeelde kan beschikken over vermiste beleggersgelden

Rechtbank Noord-Holland 2 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10112

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat veroordeelde en medeveroordeelde 1 kunnen beschikken over (een deel van) de vermiste beleggersgelden of dat zij op andere wijze over voldoende vermogen of verdiencapaciteit beschikken om een op te leggen betalingsverplichting te kunnen voldoen. De rechtbank stelt op grond van de thans beschikbare informatie vast dat veroordeelde en medeveroordeelde 1 die financiële draagkracht niet hebben. Gelet op hun hoge leeftijd en het feit dat zij geen arbeid meer verrichten of op een andere wijze economische activiteiten ontplooien, valt die financiële draagkracht ook in de toekomst niet meer te verwachten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie

Hoge Raad 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973

Op grond van artikel 27 lid 1 Sv wordt als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en daardoor van een verhoorsituatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt: wanneer is sprake van “voorbereidend onderzoek”

Hoge Raad 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1975

De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).

Read More
Print Friendly and PDF ^