Vrijspraak merendeel witwasfeiten, bij strafoplegging straf veel aandacht voor persoonlijke omstandigheden
/Rechtbank Amsterdam 12 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1706
Read MoreRechtbank Amsterdam 12 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1706
Read MoreGerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4727
Het consignatie-contract dat door de mededader vertegenwoordiger leverancier is opgemaakt en gebruikt in een klaagschrift procedure en door de verdachte is ondertekend, acht het hof een valselijk opgemaakt geschrift. De verdachte was blijkens het voorgaande op de hoogte van de gang van zaken en wist derhalve van de omstandigheid dat de inhoud van het contract niet de werkelijke bestaande situatie weergaf. Het ging immers om een consignatie-contract, terwijl er geen overeenkomst tot consignatie tussen beiden bestond, en tevens was de vermelde datum op het contract onjuist.
Read MoreRechtbank Amsterdam 6 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1754
Verdachte heeft in 2016 opzettelijk veel meer pluimvee gehouden dan waarvoor zij de rechten bezat (een misdrijf). Hiermee heeft verdachte afbreuk gedaan aan het stelsel van de Meststoffenwet, die tot doel heeft het terugdringen van het mestoverschot en de bescherming van de bodem en het milieu. Het handelen van verdachte heeft ook geleid tot concurrentievervalsing, omdat zij kosten heeft bespaard waar andere bedrijven wel kosten hebben gemaakt om aan de vereisten van de Meststoffenwet te voldoen.
Read MoreRechtbank Rotterdam 11 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2579
Naam verdachte rechtspersoon was in de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2006 tot en met 7 september 2006 niet aan te merken als een Nederlandse rechtspersoon, zodat geen rechtsmacht bestaat op grond van het nationaliteitsbeginsel. Of sprake is van een rechtspersoon met de Nederlandse nationaliteit, moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke vestigingsplaats van de rechtspersoon. Dat was voor naam verdachte rechtspersoon evident niet Nederland.
Read MoreRechtbank Noord-Nederland 26 maart 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1406
Een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de RUG en een hoogleraar is toegewezen. Het verzoek tot ontbinding werd gedaan op grond van artikel 7:669, lid 3, onder e BW. De werknemer heeft zonder de RUG daarin op dat moment te kennen in augustus 2014 een stichting (SNG) opgericht en vanaf die datum gelden die bestemd waren voor de RUG op de bankrekening van die stichting laten bijschrijven.
Read MoreGerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4731
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting en het plegen van valsheid in geschrift tot oogmerk had. Het wegnemen van klantgegevens door verdachte was van onmisbare waarde in deze organisatie. Immers, zonder deze klantgegevens had de criminele organisatie nimmer de bewezenverklaarde feiten – te weten de (pogingen tot) oplichting en valsheid in geschrift – kunnen plegen. Weliswaar heeft verdachte zich beperkt tot het wegnemen van de klantgegevens en heeft zij geen verdere (ondersteunende) gedragingen ten behoeve van de organisatie verricht, maar zij was wel een onmisbare schakel in dit geheel.
Read MoreGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2527
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat een rechter voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak aan een officier van justitie een e-mail heeft gestuurd over de inhoud van het dossier. De hieraan te verbinden consequentie, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, stoelt de raadsman op – kortweg – drie aan de jurisprudentie van de Hoge Raad te ontlenen criteria, te weten het Zwolsman-criterium, het Karman-criterium en het criterium dat te ontlenen is aan het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2009 betreffende de (on)partijdigheid van de rechter.
Read MoreParket bij de Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:253
Het middel komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op verklaringen van (de betrokkene en) medeverdachten die zijn afgelegd met schending van het recht op toegang tot rechtsbijstand.
Read MoreRechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1319
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of er sprake is van een weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en daarmee of deze wet van toepassing is. Openbaar zijn wegen in de zin van de Wegenwet en de wegen die de rechthebbende voor het algemene verkeer heeft opengesteld of waarop hij het verkeer stilzwijgend toelaat. Hoewel de weg in kwestie privéeigendom is, stelt de rechtbank vast, gelet op de foto’s van de weg en het feit dat de eigenaar heeft verklaard dat er op het moment van het ongeval geen verkeersborden aanwezig waren, dat deze weg niet was afgesloten, en er geen verbods- of verkeersborden stonden en de rechthebbende deze weg daarmee voor het algemene verkeer heeft opengesteld.
Read MoreHoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:440
Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv het verkort arrest niet heeft aangevuld met de gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, tweede en derde lid, Sv.
Read More