Getuigenverklaring zonder ondervraging toch bruikbaar: Hoge Raad bevestigt ruime compensatiemogelijkheden na Keskin

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:220

De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel van een minderjarige op grond van artikel 273f lid 1 onder 2°, 3°, 5° en 9° Sr en krijgt negentien maanden gevangenisstraf. De aangeefster kan door de verdediging niet worden ondervraagd omdat zij onvindbaar is, terwijl haar verklaring beslissend is voor het bewijs. Het hof oordeelt dat voldoende compenserende factoren bestaan, waaronder kritisch politieverhoor, steunbewijs uit telecomgegevens en het horen van ouders en voogd. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de betrouwbaarheid van haar verklaring zorgvuldig onderzocht in samenhang met het overige bewijs. Het oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen is juridisch juist en toereikend gemotiveerd. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afroomboete bij witwassen: grenzen en motiveringsvereisten verduidelijkt

Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:179

De verdachte wordt door het hof veroordeeld wegens witwassen ex artikel 420bis lid 1 onder b Sr, bestaande uit het langdurig profiteren van een met crimineel vermogen verbouwde woning. Het hof legt een taakstraf en een geldboete van 50000 euro op, waarbij de boete mede strekt tot afroming van het behaalde voordeel. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat een dergelijke ‘afroomboete’ niet is toegestaan naast een mogelijke ontnemingsprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat de feitenrechter de hoogte van een geldboete mede mag afstemmen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, mits de motivering voldoende inzicht biedt en dubbele ontneming wordt voorkomen. De ontnemingsrechter moet bij latere vaststelling van een betalingsverplichting rekening houden met een dergelijke boete. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanvangsmoment redelijke termijn in ontnemingszaak: voornemen van de officier van justitie beslissend

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167

In deze ontnemingszaak wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen stelt het hof het voordeel vast op grond van artikel 36e lid 3 Sr met toepassing van de eenvoudige kasopstelling en legt een betalingsverplichting van 149.387,60 euro op. In cassatie klaagt de betrokkene dat het hof een onjuist aanvangsmoment hanteert voor de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM.
Volgens het middel moet die termijn aanvangen bij de start van het strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv en niet bij het kenbaar gemaakte voornemen van de officier van justitie ex artikel 311 lid 1 Sv. De Hoge Raad herhaalt zijn rechtspraak dat het aan de feitenrechter is het aanvangsmoment vast te stellen en dat dit oordeel in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Het oordeel van het hof is niet onjuist en voldoende gemotiveerd, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Miljoenenbeslag Surinaamse geldzending definitief in stand na derde cassatie

Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:49

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag waarbij het beslag op een geldzending van 19,5 miljoen euro uit Suriname in stand blijft. De FIOD neemt het bedrag in 2018 op Schiphol in beslag wegens verdenking van witwassen; het geld is eigendom van drie Surinaamse handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname treedt op als shipper. Het hof verklaart het beklag ongegrond en oordeelt dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat het geld niet haar eigendom is maar dat van de handelsbanken. Ook acht het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan.
In cassatie wordt onder meer geklaagd over het immuniteitsoordeel en de gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van het beslag. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe en laat het oordeel van het hof zonder nadere motivering in stand, waarmee de beklagprocedure definitief is beëindigd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Formele eis leidt niet tot niet-ontvankelijkheid: uitreiking oproeping in persoon maakt gebrek in volmacht onschadelijk

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:156

De verdachte is door de politierechter veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf wegens belediging van een treinconducteur. Zijn advocaat stelde hoger beroep in via een volmacht, maar het hof verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens een formeel gebrek. De volmacht bevatte namelijk niet de instemming van de verdachte met het direct in ontvangst nemen van de oproeping door de griffie. De Hoge Raad oordeelt dat dit in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden, omdat de oproeping later in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Daarmee is het beschermde belang van artikel 450 lid 3 Sv niet geschonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor een nieuwe behandeling.

Read More
Print Friendly and PDF ^