Niet-ontvankelijkverklaring Openbaar Ministerie in omkopingszaak Jamaicaanse minister: rechtbank Rotterdam volgt procesafspraken na zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn

Rechtbank Rotterdam 14 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:5164

De rechtbank Rotterdam verklaart op 14 april 2026 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van een rechtspersoon die wordt verweten in 2006 een Jamaicaanse minister te hebben omgekocht via geldbedragen van in totaal circa € 389.377,47 aan CCOC Association. De rechtbank volgt het afdoeningsvoorstel dat de officier van justitie en de verdediging gezamenlijk hebben opgesteld en dat strekt tot beëindiging van de zaak zonder inhoudelijke beoordeling. De procesafspraken zijn ingegeven door de zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn, de twijfel of een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM nog haalbaar is en de inschatting dat niet alle getuigen meer kunnen worden gehoord. Ook wordt de maatschappelijke opportuniteit van verdere vervolging na het aanzienlijke tijdsverloop ter discussie gesteld. De rechtbank toetst het afdoeningsvoorstel aan het kader van HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252 en concludeert dat aan de eisen van een eerlijk proces is voldaan bij de totstandkoming ervan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hof Den Haag wijzigt ambtshalve grondslag ontnemingsvordering: witwashandelingen leiden niet zelfstandig tot wederrechtelijk verkregen voordeel

Gerechtshof Den Haag 21 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1285

Het Gerechtshof Den Haag oordeelt op 21 april 2026 in een ontnemingszaak dat het enkele verrichten van witwashandelingen op zichzelf niet leidt tot wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. Het hof verlaat ambtshalve de door het Openbaar Ministerie aangevoerde grondslag en past artikel 36e lid 3 Sr toe op de zaak van een betrokkene die is veroordeeld voor medeplegen van witwassen van € 410.000. Dat bedrag is via een schijnconstructie aangewend voor de aankoop van een woning, terwijl tegenover de ontvangst geen schuld of tegenprestatie heeft gestaan. De waardestijging van de woning kwalificeert als vervolgprofijt van € 65.000, zodat het totale voordeel op € 475.000 wordt geschat. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep matigt het hof de betalingsverplichting met € 10.000. Aan de betrokkene wordt de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 465.000.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoger beroep mag niet leiden tot een hogere straf via de achterdeur

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:773

De Hoge Raad casseert een arrest van het hof 's-Hertogenbosch over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv in een hennepzaak. De rechtbank legde voor twee feiten gezamenlijk zes maanden gevangenisstraf op, waarna het hoger beroep werd beperkt tot het telen van een grote hoeveelheid hennep. Het hof veroordeelde voor dat feit tot zes maanden gevangenisstraf en bepaalde voor het aanwezig hebben van hennep daarnaast nog vijf weken extra. De Hoge Raad oordeelt dat die strafbepaling onbegrijpelijk is omdat de rechtbank voor beide feiten één gezamenlijke hoofdstraf had uitgesproken. De zaak wordt teruggewezen voor een nieuwe strafoplegging en strafbepaling conform de uitleg van artikel 423 lid 4 Sv.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verkorte termijn voor cassatieschriftuur geldt ook bij afgewezen verschoningsrecht

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:764

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van een klager tegen een beslagbeschikking niet-ontvankelijk wegens een te laat ingediende schriftuur. De klager, werkzaam als directeur en 'legal expert' bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland, beriep zich op een zelfstandig of afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van onder hem in beslag genomen iPhones, een MacBook en een iPad. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 31 maart 2025 dat hem dat verschoningsrecht niet toekomt. De Hoge Raad bevestigt dat de verkorte cassatietermijn van veertien dagen uit artikel 447 lid 5 jo. 552d lid 3 Sv ook geldt als de rechtbank het beroep op het verschoningsrecht heeft afgewezen. Nu de schriftuur na 27 november 2025 pas op 19 december 2025 is ingediend, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Toerekening van wederrechtelijk voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leider: materiële zeggenschap is niet genoeg

Hoge Raad 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691

In dit arrest verduidelijkt de Hoge Raad de motiveringseisen bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit rechtspersonen aan de feitelijk leidinggevende natuurlijke persoon in de trustsector. Het hof Amsterdam had EUR 1.688.200 aan voordeel uit inhousevennootschappen aan de betrokkene toegerekend op grond van diens materiële zeggenschap, maar de Hoge Raad oordeelt dat die motivering ontoereikend is. Mede gelet op het reparatoire karakter van artikel 36e Sr moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. De enkele vaststelling dat hij over het vennootschapsvermogen kon beschikken volstaat niet; vereist is dat hij daarover vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geen vrijgave geld voor verdediging in mondkapjesdeal

Rechtbank Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4473

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam weigert op 6 mei 2026 de gevorderde gedeeltelijke opheffing van executoriale derdenbeslagen ten laste van een van de hoofdrolspelers van de mondkapjesdeal. De eiser vordert vrijgave van € 150.000 uit de door Stichting Hulptroepen Alliantie gelegde beslagen om zijn rechtsbijstand in hoger beroep te financieren. De voorzieningenrechter oordeelt dat de eiser geen transparant en consistent inzicht verschaft in zijn inkomens- en vermogenspositie. De wisselende opgaven roepen vragen op over verantwoording van grote sommen geld die niet zijn beantwoord. Daardoor kan financiële nood en daarmee een aantasting van de effectieve toegang tot de rechter niet aannemelijk worden geacht. De eerder door de strafrechter verleende opheffing van het strafvorderlijk beslag werkt niet door in de civiele belangenafweging tussen partijen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Rechtbank Amsterdam past HR-kader toe en wijst alle getuigenverzoeken af in ontnemingszaken Delos

Rechtbank Amsterdam 3 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3799 en ECLI:NL:RBAMS:2026:3800

De rechtbank Amsterdam wijst op 3 april 2026 in twee parallelle ontnemingsprocedures uit het onderzoek Delos alle getuigenverzoeken integraal af. Onder toepassing van het door de Hoge Raad ontwikkelde kader (HR:2010:BK3424, HR:2021:1749 en HR:2022:147) stelt de rechtbank vast dat de toewijzing van getuigen in het hoger beroep van de strafzaak niet zonder meer meebrengt dat dezelfde getuigen in de ontneming moeten worden gehoord. De verdediging moet concreet onderbouwen welke onderdelen van de ontnemingsrapportage de getuige kan raken en hoe diens verklaring de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan beïnvloeden. Bij gebreke van die specifieke onderbouwing worden zowel de drugs- als de witwasgerelateerde verzoeken afgewezen. Het voorwaardelijk aanhoudingsverzoek van de waarnemend raadsvrouw wijst de rechtbank eveneens af.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Bankhelpdeskfraude: rechtbank wijkt fors af van strafeis vanwege bekennende proceshouding en aantoonbaar gewijzigde levenshouding van verdachte

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3048

De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt een jonge verdachte voor zijn rol in een grootschalige bankhelpdeskfraudezaak waarbij dertien aangevers daadwerkelijk zijn opgelicht en acht aangevers het slachtoffer zijn van een poging daartoe. De officier van justitie eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, doch de rechtbank wijkt op grond van de proceshouding van de verdachte fors van die eis af. De verdachte heeft openheid van zaken gegeven, neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen en heeft sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis aantoonbare positieve stappen gezet in zijn leven. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de verdachte terugkeert naar de gevangenis en legt een gevangenisstraf op van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, gecombineerd met de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast constateert de rechtbank een vormverzuim bij het onderzoek aan de telefoons van de verdachte, doch volstaat zij met de enkele constatering daarvan zonder daar consequenties aan te verbinden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Directeur van vakantieparken krijgt celstraf voor jarenlang ontduiken van belasting; ondernemingen krijgen samen ruim 1,3 miljoen euro boete

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een 64-jarige eigenaar van vakantieparken tot achttien maanden cel, waarvan zes voorwaardelijk, voor het jarenlang opzettelijk niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting over 2020 en 2021. Het fiscale nadeel bedraagt ruim 2,8 miljoen euro. Zijn zeven ondernemingen krijgen in afzonderlijke vonnissen samen ruim 1,3 miljoen euro aan geldboetes (50% van het nadeelbedrag per BV). De rechtbank ziet een vast patroon van gebrekkige administratie sinds 2013/2014 en tientallen lopende fiscale procedures. Omdat de verdachte in april 2025 al voor soortgelijke feiten over 2017 en 2018 is veroordeeld, past de rechtbank artikel 63 Sr toe en blijft een deel van de straf voorwaardelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

AG: inzet Awb-toezichtbevoegdheden bij integrale controle levert geen vormverzuim op

AG Paridaens concludeert in een cassatiezaak naar aanleiding van een integrale controle in Wijchen, waarbij in een bedrijfspand een drugslab werd aangetroffen. De verdediging stelde dat de gemeente haar bestuursrechtelijke toezichtbevoegdheden had misbruikt voor strafrechtelijke doeleinden en bepleitte op die grond bewijsuitsluiting. Volgens de AG levert het enkele feit dat sprake is van signalen van ondermijning en samenwerking met de politie geen schending van artikel 1:6 Awb op. Pas wanneer toezichtbevoegdheden uitsluitend voor opsporing in de zin van artikel 132a Sv worden ingezet, ontstaat een vormverzuim, en daarvan is bij een integrale controle niet snel sprake. De Hoge Raad doet naar verwachting op 7 juli 2026 uitspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^