Hof Den Haag wijzigt ambtshalve grondslag ontnemingsvordering: witwashandelingen leiden niet zelfstandig tot wederrechtelijk verkregen voordeel
/Gerechtshof Den Haag 21 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1285
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt op 21 april 2026 in een ontnemingszaak dat het enkele verrichten van witwashandelingen op zichzelf niet leidt tot wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. Het hof verlaat ambtshalve de door het Openbaar Ministerie aangevoerde grondslag en past artikel 36e lid 3 Sr toe op de zaak van een betrokkene die is veroordeeld voor medeplegen van witwassen van € 410.000. Dat bedrag is via een schijnconstructie aangewend voor de aankoop van een woning, terwijl tegenover de ontvangst geen schuld of tegenprestatie heeft gestaan. De waardestijging van de woning kwalificeert als vervolgprofijt van € 65.000, zodat het totale voordeel op € 475.000 wordt geschat. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep matigt het hof de betalingsverplichting met € 10.000. Aan de betrokkene wordt de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 465.000.
Inleiding en context
Het Gerechtshof Den Haag doet uitspraak in een ontnemingszaak in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2021. De betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1964, is bij arrest van dit hof van 17 maart 2026 in de onderliggende strafzaak veroordeeld voor medeplegen van witwassen. Hem is opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De witwasveroordeling ziet op een geldbedrag van € 410.000 dat op 6 februari 2013 via een verhullingsconstructie, waaronder een hypothecaire lening, is aangewend voor de financiering van de aankoop van de woning waarvan de betrokkene enig eigenaar wordt. Reeds op 25 november 2016 wordt conservatoir beslag op de woning gelegd ter bewaring van het recht tot verhaal ex artikel 94a Sv. De rechtbank Rotterdam heeft in eerste aanleg het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 430.000 en, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd van € 425.000. Zowel de officier van justitie als de betrokkene stellen hoger beroep in.
Wettelijk kader
Centraal staat artikel 36e Sr, dat de juridische grondslagen biedt voor de oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Openbaar Ministerie baseert zijn vordering aanvankelijk op artikel 36e lid 5 Sr en vervolgens op artikel 36e lid 2 Sr. Het hof beoordeelt de vordering uiteindelijk op grond van artikel 36e lid 3 Sr. Daarnaast speelt artikel 6 lid 1 EVRM een rol in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. Voor het conservatoir beslag is artikel 94a Sv relevant.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De in eerste aanleg ingediende vordering strekt aanvankelijk tot betaling aan de Staat van € 410.000 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 5 Sr. Ter terechtzitting in eerste aanleg wijzigt het Openbaar Ministerie de vordering naar € 485.780, te weten € 410.000 vermeerderd met € 75.780 wegens vervolgprofijt. In hoger beroep verwijst de advocaat-generaal naar de WOZ-waarde van de woning per peildatum 1 januari 2024 ten bedrage van € 475.000 en vordert dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 475.000, met oplegging van een betalingsverplichting van datzelfde bedrag. De berekening berust op het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 23 april 2020, opgemaakt op transactiebasis door de operationeel specialist.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert primair aan dat de vordering moet worden afgewezen omdat de betrokkene in de strafzaak dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de woning met een hypotheek is bezwaard die niet is afgelost, zodat feitelijk geen voordeel is genoten en de vordering ook om die reden moet worden afgewezen. Meer subsidiair verzoekt de verdediging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van de grondslag van de ontnemingsvordering neemt de verdediging geen afzonderlijk standpunt in.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft behaald. Naar het oordeel van het hof brengt de enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van het bewezenverklaarde witwasdelict niet met zich dat dit bedrag reeds om die reden wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Witwashandelingen betreffen in de kern het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is, vaak met als doel het verbergen of verhullen van die herkomst, en leiden op zichzelf niet tot een waardevermeerdering of op geld waardeerbaar voordeel.
Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat de witwashandelingen op zichzelf of rechtstreeks een vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt bij de betrokkene en evenmin sprake is van aanwijzingen voor andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Op die grondslag kan dus geen ontnemingsmaatregel worden vastgesteld. Het hof acht zich echter niet gebonden aan de door het Openbaar Ministerie voorgestelde grondslag en berekeningsmethode, en beoordeelt ambtshalve of artikel 36e lid 3 Sr toepassing kan vinden. Dat artikellid vereist dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarop een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, hetgeen bij witwassen het geval is, en dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof stelt vast dat de hypothecaire lening waarbij de medeverdachte een geldlening van € 410.000 aan de betrokkene zou hebben verstrekt, een schijnconstructie betreft. De medeverdachte heeft feitelijk geen geldbedrag geleend en de betrokkene is hem ook niets verschuldigd. Het geldbedrag is afkomstig van een derde persoon, die bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij evenmin een geldbedrag aan de betrokkene heeft geleend. Tegenover de ontvangst van € 410.000 staat ook geen schuld die met dat bedrag wordt afgelost. De betrokkene verklaart ter zitting dat hij heeft bemiddeld in een zakelijk geschil voor die derde persoon zonder dat daar een financiële vergoeding tegenover stond. Het hof acht aldus aannemelijk dat de betrokkene op 6 februari 2013 een geldbedrag van € 410.000 heeft ontvangen zonder dat hier een tegenprestatie of schuld tegenover staat, hetgeen rechtvaardigt dat het vermogen van de betrokkene op dat moment met € 410.000 is vermeerderd. Aangezien het hof in de strafzaak heeft vastgesteld dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is, staat tevens vast dat andere strafbare feiten, gepleegd door anderen, op enigerlei wijze tot dit voordeel hebben geleid.
De waardestijging van de woning, waarvoor het wederrechtelijk verkregen voordeel is aangewend, wordt door het hof als vervolgprofijt aangemerkt. Op basis van de WOZ-waarde per 1 januari 2024 van € 475.000 acht het hof aannemelijk dat de betrokkene ten minste een vervolgprofijt van € 65.000 heeft verkregen. Van aftrekbare kosten is niet gebleken. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van een aanvullende getuige over de aard van de bemiddelingsdiensten wijst het hof af, nu het hof reeds aannemelijk acht dat hiervoor geen financiële vergoeding is ontvangen en de noodzaak tot horen ontbreekt.
Vaststelling van het voordeel en de betalingsverplichting
Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 475.000, bestaande uit € 410.000 wegens de financiering van de woning en € 65.000 aan vervolgprofijt. Het hof constateert vervolgens dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM. De termijn in eerste aanleg, aangevangen op 25 november 2016 met de inbeslagneming, is met drie jaren en vier maanden overschreden. De termijn in hoger beroep, aangevangen op 7 december 2021, is met ruim twee jaren en vier maanden overschreden. Gelet op de grote mate van overschrijding, bezien tegen de procedure als geheel, matigt het hof de betalingsverplichting met € 10.000. De draagkracht van de betrokkene staat aan oplegging niet in de weg, nu niet aannemelijk is geworden dat hij in de toekomst niet in staat zal zijn aan de betalingsverplichting te voldoen.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 475.000. Aan de betrokkene wordt de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 465.000. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd wordt bepaald op 1095 dagen.
Lees hier de volledige uitspraak.
