Conclusie AG over samenloop van verbeurdverklaring en ontnemingsmaatregel

Parket bij de Hoge Raad 5 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:324

Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de waarde van de in de hoofdzaak verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, nu de beslissing ten aanzien van de verbeurdverklaring ten tijde van de beslissing van het hof in de ontnemingszaak nog niet onherroepelijk was. De steller van het middel werpt de vraag op of voor het in mindering brengen van de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen op de op te leggen betalingsverplichting als voorwaarde geldt dat de verbeurdverklaring van die voorwerpen ten tijde van de beslissing in de ontnemingszaak onherroepelijk is.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie over verplichting tot doen van aangifte bij de douane van het vervoeren van een contant geldbedrag van meer dan €10.000

Parket bij de Hoge Raad 29 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:303

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “met betrekking tot het verlaten van de Gemeenschap”, althans dat de bewezenverklaring ten aanzien hiervan ontoereikend is gemotiveerd “nu uit de bewijsvoering niet kan blijken dat verzoekster de Gemeenschap had verlaten terwijl zij niet de verplichte aangifte had gedaan”.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag ex art. 94a Sv: wanneer is sprake van een misdrijf waarvoor een geldboete van de 5e categorie kan worden opgelegd?

Hoge Raad 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:507

In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd zoals bedoeld in art. 94a lid 1 en/of lid 2 Sv aangezien de aan dat oordeel ten grondslag gelegde verdenking(en) van overtreding van art. 1 lid 1 onder a en/of onder b van de Wet op de kansspelen geen (althans niet zonder meer) misdrijven zijn, althans heeft de rechtbank er niet dan wel onvoldoende (begrijpelijk) blijk van gegeven te hebben onderzocht of ten tijde van de beslissing sprake was van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waardoor in ieder geval het oordeel dat sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd niet (zonder meer) begrijpelijk is.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Cassatie in het belang van de wet over toegang tot verkeers- en locatiegegevens

Hoge Raad 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:477

Advocaat-generaal Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De vordering strekt tot schorsing van de behandeling van het cassatieberoep teneinde een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 15 lid 1 van Richtlijn 2002/58/EG, althans tot vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad Jaarverslag 2021

De totale instroom van strafzaken was in 2021 3346 (2020: 3414). De totale uitstroom van strafzaken in 2021 was 3649 (2020: 3459), waarvan 3417 uitspraken (2020: 3246) uitspraken. Van de 3417 uitspraken in 2021 werden 711 zaken inhoudelijk afgedaan; dat is 20,8 procent (2020: 22,6 procent), 1070 zaken met een artikel 80a Wet RO-afdoening (2020:830) en 268 zaken met artikel 81 Wet RO (2020: 320).

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Beoordelingskader overschrijding redelijke termijn

Hoge Raad 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:363

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over afzien van oproepen getuige op de grond dat het onaannemelijk is dat deze binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen (art. 288 Sv)

Hoge Raad 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466

Anders dan mogelijk uit deze wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid, houdt artikel 288 lid 1 Sv niet de verplichting voor de rechter in, als hij afziet van het oproepen van een getuige op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, ervan blijk te geven in die beslissing de aard van de zaak en – in het bijzonder – het belang van de getuigenverklaring te hebben betrokken. Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo’n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. eisen aan de vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan

Hoge Raad 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 overwogen dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht heeft begaan, binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over wanneer sprake is van (voorwaardelijk) opzet van bestuurder op verkorting van rechten van (overige) schuldeisers. Conclusie AG anders.

Hoge Raad 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339

Bij de beantwoording van de vraag “op welk tijdstip verdachte wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen” had het hof tot uitgangspunt moet nemen het moment waarop de verdachte zeker wist dat het faillissement – afzien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk was. Dat heeft het hof ten onrechte niet gedaan. In plaats daarvan heeft het hof het toetsingskader aangelegd “op welke datum het faillissement en een tekort daarin voor verdachte met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien”. Dit toetsingskader afkomstig uit art. 42 Fw is echter pas gaan gelden na de wijziging van art. 343 aanhef onder 3 Sr in 2016, terwijl de onderliggende feiten zich hebben afgespeeld voor de wetswijziging, te weten in de periode van 7 april 2009 tot en met 7 juli 2009. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing herzieningsaanvraag beleggingsfraudezaak

Hoge Raad 8 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:303

Een wegens beleggingsfraude veroordeelde doet een aanvraag tot herziening. Aangevoerd wordt dat OM niet-ontvankelijk zou zijn verklaard als hof op de hoogte zou zijn geweest van “onfatsoenlijk” en “onwettig” optreden van twee opsporingsambtenaren die bij het opsporingsonderzoek betrokken waren. De aanvrager voert onder meer aan dat de opsporingsambtenaren een leugenachtige verklaring van een getuige in een proces-verbaal hebben opgenomen. De aanvraag miskent echter dat die enkele omstandigheid - nog daargelaten dat de aanvraag geen steun biedt voor de gestelde leugenachtigheid - geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert.

Read More
Print Friendly and PDF ^