Hoge Raad gaat in op (de mandatering van) de bevoegdheid tot vernietiging van in beslag genomen voorwerpen

Hoge Raad 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:972

Een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv wordt ingevolge het tweede lid van die bepaling door het openbaar ministerie verleend. Dit betekent, gelet op art. 125 RO, dat deze machtiging slechts kan worden verleend door het College van procureurs-generaal en rechterlijke ambtenaren, als bedoeld in art. 1, onderdeel b, onder 6° en 7°, RO. De uitoefening van deze bevoegdheid kan ingevolge art. 126, eerste lid, RO worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over mogelijke consequenties bij te laat instellen hoger beroep als gevolg van 'manifest failure' van de raadsman

Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:520

Het middel klaagt dat de beslissing van het hof om de verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat (a) sprake was van een manifest failure van de raadsman van de verdachte, terwijl de verdachte op grond van mededelingen van die raadsman in de veronderstelling was dat tijdig beroep was ingesteld, dan wel (b) dat het rechtsmiddel tijdig is aangewend.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Integrale vrijspraak meerdere beschuldigingen van oplichting wegens ontbreken schakelbewijs

Rechtbank Oost-Brabant 11 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3137

De rechtbank stelt voorop dat, zoals volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad, (ECLI:NL:HR:2016:2889) met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen – het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog – bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling – en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Medeplegen KOT

Gerechtshof Amsterdam 22 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:969

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het medeplegen van de oplichting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaring van de verdachte kan hoogstens worden afgeleid dat zij een faciliterende rol heeft gehad. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat zij meer heeft gedaan dan zij heeft verklaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over de vraag of in vordering tot leggen van conservatoir beslag (art. 103 Sv) concrete verhaalsobjecten moeten worden benoemd

Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:519

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie in zijn op de voet van art. 103 Sv ingediende vordering tot het verkrijgen van toestemming om conservatoir beslag te leggen concrete voorwerpen moet noemen waarop het voorgenomen beslag betrekking heeft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Integrale vrijspraak meerdere beschuldigingen van oplichting wegens ontbreken schakelbewijs

Rechtbank Oost-Brabant 11 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3137

De rechtbank stelt voorop dat, zoals volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad, (ECLI:NL:HR:2016:2889) met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen – het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Cassatieberoep ingesteld vóór einduitspraak Hof ontvankelijk?

Hoge Raad 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0839

Art. 432 Sv regelt binnen welke termijn "na de einduitspraak" het beroep in cassatie moet worden ingesteld. Met de bewoordingen van deze bepaling is niet verenigbaar dat een vóór de einduitspraak ingesteld beroep in cassatie ontvankelijk zou zijn.

Read More
Print Friendly and PDF ^

EHRM: schending ne bis in idem door boete Franse AMF én strafrechtelijke veroordeling n.a.v. beïnvloeding aandelenkoers

EHRM 6 juni 2019, application no. 47342/14 (Nodet v. France)

Het EHRM heeft schending aangenomen van het verbod op ne bis in idem zoals neergelegd in art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. Het gaat om een Franse zaak waarin een financieel analist een boete had opgelegd gekregen van de AMF voor het manipuleren van de waarden van aandelen. De verdachte is tevens strafrechtelijk vervolgd voor het belemmeren van de goede werking van de aandelenmarkt. In Straatsburg klaagde hij met succes over het twee maal worden bestraft voor dezelfde feiten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Aanbevelingen voor de aanstaande rechterlijke toets van de hoge en bijzondere transactie

Bijna een eeuw geleden deed de transactie haar intrede in onze strafrechtspleging als buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit voor lichte strafzaken. Zo’n 90 jaar later, in 2007, kondigde de wetgever aan dat hij de transactie zou vervangen door de strafbeschikking. Dat kan worden gesproken van een metamorfose in de (beoogde) toepassing van de transactie, blijkt uit het recente bericht dat enkel de zogenaamde hoge en bijzondere transactie (voorlopig) een blijvende plek heeft veroverd in onze strafrechtspleging als passend en effectief alternatief voor strafvervolging in omvangrijke en complexe zaken. Ten aanzien van de overige categorieën strafzaken zal de transactie op korte termijn niet langer tot het afdoeningsarsenaal behoren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Bewijsoverwegingen over valselijk opmaken administratie, valse suppleties, opzettelijk indienen onjuiste aangiften omzetbelasting, opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2102

Het doen van een onjuiste suppletie kan niet het strafbare feit opleveren van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, zoals strafbaar is gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Mitsdien kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat Transportonderneming verdachte B.V. onjuiste aangiften heeft gedaan, aan welke verboden gedragingen de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 2 primair aan hem ten laste is gelegd.

Read More
Print Friendly and PDF ^