'Banken, witwassen en de effectiviteit van het toezicht'

In de media staat witwassen tegenwoordig volop in de aandacht. Een kleine greep uit de geschreven Nederlandse media levert al gauw enkele smeuïge koppen op: ‘Italiaanse justitie: 'Bank of China wast 4,5 miljard wit'’, ‘ABN Amro stuurt topbankiers in Dubai weg na fraude’, en ‘Deutsche Bank onderzoekt witwassen door Russische klanten’. Tel daar de hoge boetes die de afgelopen jaren in de Verenigde Staten aan verschillende banken zijn opgelegd en het omvangrijke FIFA-schandaal bij op, en al gauw rijst de vraag naar de rol van banken in de strijd tegen witwassen.  

Verder in dit artikel:

  1. Introductie
  2. Effectief toezicht
  3. Vormgeving van het anti-witwastoezicht op banken
    1. 3.1. Institutionele vormgeving
    2. 3.2. Vormgeving van het toezicht: tweesporenbeleid
    3. 3.3. De gevolgen van het SSM voor het anti-witwastoezicht op banken
  1. Het anti-witwastoezicht op banken in Nederland
    1. 4.1. Behoorlijk effectief
    2. 4.2. Gebrek aan transparantie
    3. 4.3. Handhaving
  1. Concluderende opmerkingen

 

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op het Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf, toepassing buitenwettelijke kwalificatieuitsluitingsgrond

Gerechtshof Amsterdam 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4699 Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Hetzelfde hof heeft bij arrest van dit hof van 22 juni 2010 de verdachte en medeverdachte onherroepelijk veroordeeld voor afpersingen. De in de tenlastelegging (onder 2 sub A) genoemde geldbedragen zijn afkomstig van deze afpersingen zodat deze geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn.

In het geval dat het witwassen betrekking heeft op voorwerpen onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf, dient er sprake te zijn van een handeling die erop is gericht om de crimineel verkregen voorwerpen veilig te stellen. Indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerpen gericht karakter heeft.

Nu niet kan worden vastgesteld dat het verwerven of het voorhanden hebben van de geldbedragen een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter heeft gehad, kan het onder 2 sub A bewezen verklaarde feit niet als witwassen worden gekwalificeerd, zodat de verdachte ten aanzien hiervan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

FIOD houdt twee verdachten aan in witwasonderzoek

De FIOD heeft vorige week dinsdag in een internationaal onderzoek naar witwassen een echtpaar van 56-jaar uit Amstelveenaangehouden. Er zijn twee woningen in Aruba doorzocht, een woning in Amstelveen, en een woning en bedrijfspand in Amsterdam. Er is behalve op administratie ook beslag gelegd op onroerend goed, twee auto’s, en een boot omdat misdaad niet mag lonen. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding van een verdachtetransactie door de FIU. Het echtpaar wordt verdacht van witwassen. De man en vrouw verkochten in 2009 op Aruba percelen grond voor een onverklaarbaar hoge prijs aan drie stichtingen. Het geld werd ontvangen van twee offshore vennootschappen. De verkoop ging niet door, maar het geld is tot op heden niet terugbetaald.

De verdachten lijken daarnaast van de  wind te leven. Hun uitgaven zijn niet te verklaren uit hun reguliere inkomsten en vermogen. Op hun bankrekeningen ontvangen ze regelmatig grote geldbedragen uit het buitenland onder de noemer ‘lening’. Aflossingen worden niet gezien.  Ze wonen in een woning van circa 1.900.000 euro.

De rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam heeft de man afgelopen vrijdag in bewaring gesteld voor 14 dagen. De vrouw is voor 6 dagen in bewaring gesteld.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Enkele storten op eigen bankrekeningen onvoldoende voor gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op verbergen of verhullen, ook als dat “voor ‘reguliere’ uitgaven” gebeurt. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 maart 2013 de verdachteveroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 216 uren wegens feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en feit 3 medeplegen van witwassen.

Vijfde middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde 'witwassen' oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090).

Blijkens zijn overwegingen - en meer in het bijzonder blijkens de overweging: "Mede uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan bewezenverklaring van feit 1 leidt het hof voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte en medeverdachte gedane uitgaven mede werden gefinancierd met geld afkomstig uit de hennepteelt. Door dit geld deels in porties op een bankrekening te storten voor "reguliere" uitgaven, werd de werkelijke herkomst van dit geld verhuld" - heeft het Hof deze rechtspraak op het onderhavige geval van toepassing geacht.

Uit deze door het Hof gegeven motivering kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat ten aanzien van de door het Hof genoemde stortingen sprake is van gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Het enkele storten op eigen bankrekeningen (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500) is daartoe onvoldoende, ook als dat - op de door het Hof genoemde, maar niet nader uitgewerkte wijze - "voor 'reguliere' uitgaven" gebeurt.

Het middel is terecht voorgesteld.

Conclusie AG: contrair

36. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden opgemaakt dat er niet louter sprake was van het voorhanden hebben van geldbedragen, maar ook van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Ik merk daarbij in de eerste plaats op dat in de bewezenverklaring in algemene zin wordt gesproken van “geldbedragen”. In dat verband valt te denken aan de periodieke stortingen op een rekening bij de Rabobank op naam van de verdachte van € 2.200,-, welk bedrag overeenkomt met het huurbedrag voor de kelder. Door middel van het storten van geldbedragen die – gelet op de (afwezigheid van) inkomsten uit arbeid – afkomstig moeten zijn geweest uit de handel van hennep, hebben de verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van het hof de criminele herkomst van het geldbedrag verhuld door de schijn te wekken dat het zou gaan om huuropbrengsten. Het oordeel van het hof dat het geheel van deze handelingen “witwassen” oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

37. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor witwassen

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4358 In onderhavige zaak is sprake van verschillende geldstromen. Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen. Eerste geldstroom: geen witwassen omdat er geen sprake is van uit misdrijf verkregen geld. Tweede geldstroom: verduistering door ex-directeur van de Nederlandse importeur van Subaru, geld derhalve wel afkomstig uit misdrijf, maar geen (opzet)witwassen omdat geen sprake is van wetenschap c.q. redelijkerwijs moeten vermoeden dat geld afkomstig is van enig misdrijf, doordat in de gegeven omstandigheden een andere plausibele verklaring aanwezig was.

Procesverloop

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 februari 2010

het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte heeft tegen voornoemd arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 september 2012 voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking

Het hof is - gehoord het requisitoir van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman - en gezien de stukken van het geding van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen aan en medeplichtigheid van verduistering in dienstbetrekking.

Vrijspraak witwassen

De verdachte is directeur en enig aandeelhouder van bedrijf 1. Bedrijf 1 is vanaf 1989 bedrijf 3 dealer op grond van een dealercontract. Dagelijkse betalingen van bedrijf 1 werden in de periode die ten laste is gelegd gedaan door de verdachte alsmede door de echtgenote van de verdachte, de medeverdachte 1. Zij zorgde eveneens grotendeels voor de boekhouding van bedrijf 1.

De heer naam 1 was van 1 april 2002 tot en met 31 maart 2004 voorzitter van de raad van bestuur van N.V. bedrijf 3 Benelux. Hij werkte sedert 1980 bij bedrijf 3 Nederland B.V. Vanaf 1999

tot 1 april 2002 was hij directeur van bedrijf 3 Nederland. Hij zat tevens in de raad van bestuur van die onderneming. Als directeur was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van bedrijf 3 Nederland.

Het moederbedrijf van N.V. bedrijf 3 Benelux is bedrijf 4, de hoofdaandeelhouder. Bedrijf 4 Europe (MAE) behartigt de Europese belangen van bedrijf 4. Naam 1 was tevens general manager van MAE. Hem was gevraagd dit bedrijf te helpen oprichten. De heer medeverdachte 2 was sinds 1996 hoofd van de boekhouding en sedert 2002 directeur accountboekhouder van bedrijf 3. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken binnen bedrijf 3.

Eind/midden jaren negentig stond bedrijf 1 er financieel slecht voor. naam 1 heeft toen samen met de toenmalige accountmanager van bedrijf 3 - naam 2 - bij de bedrijf bank een regeling getroffen voor bedrijf 1. Nadat naam 2 met pensioen was gegaan is met de bedrijf overeengekomen dat medeverdachte 2 dit traject zou bewaken. medeverdachte 2 was de contactpersoon tussen de bankier, de verdachte en bedrijf 3 Benelux. Vanuit bedrijf 1 gaan in de periode van 1999 tot en met 2003 grote contante geldstromen naar bedrijf 3. Deze geldstromen kunnen op de navolgende wijze worden uitgesplitst:

Geldstroom A

Bedrijf 1 betaalt de auto’s die bedrijf 3 aan haar levert contant, waarbij opvalt dat bedrijf 1 op haar beurt grotendeels contant wordt betaald door haar afnemers. Ook als de afnemers van bedrijf 1 niet contant betalen wordt het geld niet overgemaakt, maar gedeeltelijk door de verdachte dan wel zijn echtgenote cash opgenomen bij de bank om het vervolgens cash aan medeverdachte 2 van bedrijf 3 te overhandigen.

Geldstroom B

Er wordt geld op de rekening van bedrijf 1 gestort door bedrijf 3. Dit geld wordt opgenomen door de verdachte dan wel zijn echtgenote waarna het vrijwel onmiddellijk in contante vorm wordt overhandigd aan medeverdachte 2.

Medeverdachte 2 heeft bekend vele miljoenen te hebben verduisterd. Hij heeft, aldus zijn verklaring, alles vergokt. Medeverdachte 2 is veroordeeld voor verduistering van vele miljoenen euro’s.

Geldstroom A

Over de contante betalingen door bedrijf 1 aan hem verklaart medeverdachte 2 dat het betalingsverkeer tussen bedrijf 1 en bedrijf 3 soms elektronisch, soms per verrekening en in het merendeel van de gevallen contant ging. De verdachte dan wel zijn echtgenote brachten dit geld naar hem, waarna hij dan wel de administratie het geld in ontvangst nam. Een bewijs van ontvangst werd veelal later getekend. Ze werkten veel op vertrouwen en uit de kwitanties in zijn bureau zal blijken wat hij verduisterd heeft, aldus medeverdachte 2. Deze wijze van handelen spruit voort uit problemen die bedrijf 1 in het verleden had met de bank, daarom werd alles vanaf toen cash gedaan. medeverdachte 2 verklaart voorts “Ik kreeg dit geld van bedrijf 1 omdat zij in de veronderstelling waren dat dit geld werd weggeboekt tegen openstaande facturen van bedrijf 3 aan bedrijf 1”. Deze methode is, aldus medeverdachte 2, niet bedacht om geld te kunnen verduisteren. medeverdachte 2 zag pas later de mogelijkheden hiervan.

De accountant van bedrijf 1, de heer naam 3, van bedrijf 5 Accountants te Rotterdam verklaart op de hoogte te zijn geweest van de liquiditeitsproblemen die er destijds waren. Hij was aanwezig bij de gesprekken die destijds gevoerd zijn met de bank. Ook verklaart hij dat hij al in het eerste jaar dat bedrijf 1 klant was (1998) gestuit was op contant betalingen aan de importeur bedrijf 3. Het idee was van de financieel directeur van bedrijf 3, de heer medeverdachte 2. naam 3 kreeg het idee dat de verdachte een groot vertrouwen had in bedrijf 3 Benelux en in de heer medeverdachte 2, welk vertrouwen volgens naam 3 ook wel begrijpelijk was, aangezien bedrijf 3 in de personen van naam 1 en medeverdachte 2 voor de betalingsregeling met de bank gezorgd hadden. Dat er grote sommen contant geld door bedrijf 1 naar Aalsmeer werden gebracht wist de accountant vanaf het eerste moment dat bedrijf 5 de jaarstukken samenstelde voor bedrijf 1.

Het hof is van oordeel dat aan deze contante betalingen een legale/geldige titel ten grondslag ligt. De verdachte en/of zijn medeverdachte betaalde(n) voor de producten/auto’s die aan bedrijf 1 waren geleverd. medeverdachte 2 trad daarbij op als vertegenwoordiger van bedrijf 3, bedrijf 1 ontving kwitanties, de accountant van bedrijf 1 was van dit alles op de hoogte en verwerkte een en ander in de boekhouding.

Nu deze geldstroom van bedrijf 1 naar medeverdachte 2/bedrijf 3 is gestoeld op een legale titel kan niet gezegd worden dat dat geld afkomstig is uit enig misdrijf. Van medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan verduistering is geen sprake, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van witwassen. Dat medeverdachte 2 op enig moment zich deze gelden is gaan toe-eigenen, maakt dit niet anders, dat moment ligt immers later. Dat bedrijf 1 door deze wijze van betalen mogelijk wanprestatie pleegde – gelet op de afspraken tussen bedrijf, bedrijf 3 en bedrijf 1 – ten opzichte van de bank lijkt waarschijnlijk, maar dat is strafrechtelijk irrelevant.

Geldstroom B

Het hof is van oordeel dat de verdachte ook in verband met deze geldstroom moet worden vrijgesproken van medeplegen van opzet- en schuldwitwassen. Geconcludeerd kan weliswaar worden dat de verdachte en zijn echtgenote wisten dat zij zowel de bank als het moederbedrijf van bedrijf 3 om de tuin aan het leiden waren teneinde bedrijf 1 te kunnen laten voortbestaan c.q. te laten groeien, maar dit houdt tevens in dat zij - tegen die achtergrond bezien - redelijkerwijs niet behoefden te bevroeden dat het geld dat zij ontvingen van en weer overdroegen aan medeverdachte 2/bedrijf 3 van misdrijf afkomstig was en naar medeverdachte 2 (en niet naar bedrijf 3) ging. Dit klemt temeer indien daarbij wordt betrokken dat medeverdachte 2 (en ook naam 1) binnen bedrijf 3 reeds jaren vooraanstaande posities aannamen. Dit laatste kan tevens verklaren waarom medeverdachte 2 de verdachte en zijn echtgenote - toen het niet goed voelde in oktober 2003 - toch kon overhalen het weer te doen. Ook hier kan gezegd worden dat verdachtes gedragingen civielrechtelijk wellicht niet in orde waren, maar dit levert strafrechtelijk geen witwassen op. Dit laatste geldt - naar het oordeel van het hof - ook voor overboekingen eind december 2003 en begin januari 2004 van geld van bedrijf 3 naar de Visa-rekening van medeverdachte 2. Immers, jarenlang was medeverdachte 2 in staat geweest binnen en buiten bedrijf 3 misbruik te maken van het hem geschonken vertrouwen, spelde hij een ieder van alles op de mouw, maar werd hij gezien als de ideale werknemer. Dit was het beeld dat de verdachte en zijn echtgenote van hem hadden en waardoor zij zich hebben kunnen laten overrompelen. Er is geen reden te veronderstellen dat zij deze betalingen niet ook gewoon aan de accountant van bedrijf 1 zouden hebben opgegeven (in de veronderstelling dat de betalingen aan bedrijf 3 ten goede waren gekomen) zodat van verhullen of verbergen als bedoeld in de artikel 420bis Sr geen sprake is. Dat de accountant deze betaling niet klakkeloos zou hebben geaccepteerd en dat medeverdachte 2 dan in de problemen zou zijn gekomen leidt (gezien het in de rekening-courantverhouding opnemen van het hiervoor aan de orde gekomen bedrag van € 11.500,00) naar het oordeel van het hof geen twijfel, ware het niet dat medeverdachte 2 inmiddels (al) bij bedrijf 3 was ontmaskerd.

Gedeeltelijke verjaring van het ten laste gelegde schuldwitwassen

Naar het oordeel van het hof volgt uit art. 71 Sr dat het misdrijf van schuldwitwassen zou zijn voltooid na het afgeven van de geldbedragen door de verdachte en de medeverdachte aan medeverdachte 2. Dit betekent dat alleen die bedragen buiten de verjaring vallen die zijn overgemaakt naar de credit card rekening van medeverdachte 2 op 30 december 2003 en 2 januari 2004. Voor het overige dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging voor dit ten laste gelegde feit, aangezien het recht tot strafvordering door een tijdsverloop van twaalf jaar is vervallen.

Vrijspraak schuldwitwassen

Het hof verwijst voor de bewijsoverwegingen ten aanzien van die betalingen die nog aan de orde zijn naar hetgeen daaromtrent is overwogen ter zake het witwassen.

Ook hier is de slotsom dat de verdachte moet worden vrijgesproken van schuldwitwassen.

Conclusie

Het hof verklaart het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk voor het ten laste gelegde schuldwitwassen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 19 oktober 2003 en verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht verbergen en verhullen (art. 420bis lid 1 aanhef en onder a Sr) & Slagende kwalificatieklacht verwerven en voorhanden hebben (art. 420bis lid 1 aanhef en onder b Sr)

Hoge Raad 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3168 Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 25 oktober 2013 de verdachte ter zake van feit 1 en 4 medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, feit 2 medeplegen van witwassen en feit 3 door giften en/of het verschaffen van gelegenheid en middelen en inlichtingen opzettelijk uitlokken van witwassen, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Het Hof heeft met betrekking tot het onder 1 en 4 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:

"Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn mededader(s) gebruik hebben gemaakt van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen. Die middelen waren geëigend om de slachtoffers te bedriegen. Door de inwerking van die middelen zijn de slachtoffers ook daadwerkelijk gebracht tot afgifte van geldbedragen. Derhalve kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting."

Met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde heeft het Hof onder meer overwogen:

"Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte zich ten tijde van de onder 3 ten laste gelegde periode bezig hield met zogenaamde 419-fraude."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde onder 1 en 4 gekwalificeerd als "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd", het bewezenverklaarde onder 2 als "medeplegen van witwassen" en het bewezenverklaarde onder 3 als "(...) uitlokken van witwassen, meermalen gepleegd".

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de door het Hof voor de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat een geldbedrag van $ 3.500,- door de medeverdachte betrokkene 13 van betrokkene 10 en betrokkene 11 in ontvangst is genomen en vervolgens aan de verdachte is overhandigd. Het Hof heeft, mede gelet op zijn overwegingen, kennelijk geoordeeld dat dit geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte (mede)gepleegde oplichting althans uit een (met de bewezenverklaarde feiten 1 en 4 vergelijkbaar) misdrijf dat de verdachte zelf heeft begaan en tevens dat dit geldbedrag onmiddellijk daaruit afkomstig is. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het bewezenverklaarde witwassen plaatsvond door zowel het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst en de verplaatsing van het geldbedrag (als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr) als het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag (als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr).

Nu uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat de verdachte voornoemd geldbedrag in ontvangst heeft genomen, is de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en/of verhullen van de werkelijke aard, herkomst en verplaatsing van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis van art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr, zoals weergegeven in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Dat het geldbedrag aanvankelijk door de medeverdachte betrokkene 13 in ontvangst is genomen en daarna aan de verdachte is overhandigd, brengt immers niet mee dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst en verplaatsing ervan heeft verborgen en/of verhuld.

Wat betreft het bewezenverklaarde "verwerven en voorhanden hebben" als bedoeld in art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr geldt blijkens recente rechtspraak van de Hoge Raad, kort gezegd, het volgende. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit 's Hofs motivering kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302)

In aanmerking genomen 's Hofs kennelijke oordeel dat het geldbedrag van $ 3.500,- onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte (mede)gepleegd misdrijf, is 's Hofs oordeel dat het verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag "witwassen" oplevert, ontoereikend gemotiveerd aangezien uit de bestreden uitspraak niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Het UBO-register; privacybelangen op losse schroeven'

Op 20 juni 2015 is het voorstel voor de vierde anti-witwasrichtlijn door het Europees Parlement van de Europese Unie aangenomen. Het doel van de nieuwe richtlijn is het voorkomen van belastingontduiking, het tegengaan van witwassen en het bestrijden van de financiering van terrorisme. De nieuwe richtlijn blijkt voor de nodige opschudding te zorgen, in het bijzonder vanwege de komst van een Ultimate Beneficial Owner-register (UBO-register). In het UBOregister komen de gegevens te staan van personen die een belang hebben in een juridische entiteit, alsook de economische omvang van hun belang. Dit register heeft gevolgen voor de privacy van deze zogeheten groep ‘uiteindelijk belanghebbenden’. Gevreesd wordt dat de openbaarmaking van het economisch belang in het UBO-register verhoogde risico’s meebrengt voor uiteindelijk belanghebbenden, zoals fraude, ontvoering, chantage, geweld of intimidatie. Deze bijdrage gaat nader in op het UBO-register, in het bijzonder op de privacybelangen van de uiteindelijk belanghebbenden. Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Bedrijfsjuridische berichten.

 

Print Friendly and PDF ^

'Vierde Witwasrichtlijn aangenomen; wat wijzigt?'

Het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering staat hoog op de politieke agenda. De basis voor de wetgeving ligt in twee Europese Richtlijnen. Deze Richtlijnen zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT). Op grond van deze regelgeving zijn onder meer instellingen als banken, verzekeraars, financiële instellingen, advocaten, notarissen en belastingadviseurs, makelaars en ook casino’s en juweliers verplicht cliëntenonderzoek te doen. Op 20 mei 2015 heeft het Europees Parlement de Vierde antiwitwasrichtlijn (hierna: Vierde Witwasrichtlijn) aangenomen. Uiterlijk juni 2017 dienen de lidstaten de bepalingen van de Vierde Witwasrichtlijn in nationale wetgeving te implementeren. Dat zal in Nederland tot aanpassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme leiden. Elke rechtspersoon is verplicht de ultimate beneficial owner, de uiteindelijk belanghebbende (UBO), in een nationaal register te registreren. In deze bijdrage worden de belangrijkste wijzigingen door de auteurs op een rijtje gezet.

Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op het Nederlands tijdschrift voor Europees recht. Daarnaast is het artikel ook los aan te kopen. 

 

Print Friendly and PDF ^

Factoren voor beoordeling begrijpelijkheid oordeel feitenrechter bij niet als witwassen kwalificeren

Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028 Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 18 april 2014 verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en de teruggave van € 93.063,27 gelast.

Mr. M. ter Hart, advocaat-generaal bij genoemd Gerechtshof, heeft beroep in cassatie ingesteld en mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het Resortsparket, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld:

“Het Hof heeft het recht geschonden, dan wel op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen verzuimd, aangezien het Hof ten aanzien van het tenlastegelegde en door het Hof bewezenverklaarde voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen contant geld de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging en aldus toepassing heeft gegeven aan de zogenaamde "kwalificatie-uitsluitingsgrondgrond", zulks terwijl aan de voorwaarden voor toepassing van die uitsluitingsgrond niet is voldaan, dan wel heeft het Hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging op gronden die deze beslissing niet, althans niet zonder meer kunnen dragen.”

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

In het middel wordt daartoe aangevoerd - met een beroep op de recente rechtspraak van de Hoge Raad inzake, kort gezegd, de kwalificatie-uitsluiting in witwaszaken ingeval het betreft het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen - dat indien de verdachte niet met succes voor dat eigen misdrijf kan worden vervolgd, dit verwerven of voorhanden hebben in zo een geval moet worden gekwalificeerd als (schuld-)witwassen, omdat zich niet het gevaar voordoet "van een verhoogd strafmaximum op grond van meerdaadse samenloop".

De in het middel bedoelde rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van witwassen strekt ertoe dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte en moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302)

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

  1. daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
  2. rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
  3. de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, rov. 2.3.1 en 2.3.2).

Indien de feitenrechter het bewezenverklaarde verwerven en/of voorhanden hebben niet als witwassen heeft gekwalificeerd, kunnen bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van die beslissing de hiervoor genoemde factoren 1-3 evenzeer van belang zijn.

Onderhavige kwestie

In het onderhavige geval gaat het om een in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van ruim € 93.000,-. Het Hof heeft vastgesteld "dat de verdachte zich bezig hield met hennepteelt" en dat door de raadsvrouwe is aangevoerd dat de verdachte "niet langer [ontkent] dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven". Kennelijk heeft het Hof op grond hiervan met het oog op de hiervoor onder 3.2.3 onder (iii) weergegeven factor geoordeeld dat aannemelijk is dat dat geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk nu hetgeen door de raadsvrouwe is aangevoerd - mede gelet op hetgeen het Openbaar Ministerie in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht - bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voldoende concretisering in de hiervoren onder 3.2.3 sub (iii) bedoelde zin zowel van de door de verdachte gepleegde misdrijven als van het verband tussen die misdrijven en het aangetroffen geldbedrag.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vijf jaar gevangenisstraf voor gewoontewitwassen door overboekingen naar niet bestaande bedrijven

Rechtbank Amsterdam 16 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7133 Verdachte heeft zich gedurende een periode van 3,5 jaren schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van ruim twaalf miljoen euro. Ook heeft verdachte valse facturen voorhanden gehad, met het doel met behulp daarvan zijn witwashandelingen te verhullen. Hierbij schroomde verdachte niet namen te gebruiken van legitieme ondernemingen, die niets met de gedragingen van verdachte van doen hebben.

Verdenking

Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich al dan niet tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van ruim 12 miljoen euro in de periode van 1 mei 2011 tot en met 7 januari 2015. Onder feiten 2 en 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich al dan niet tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 onder A en B ten laste gelegde, op grond van observaties, camerabeelden, bankafschriften, verklaringen van medeverdachten en getuigen en op grond van goederen die zijn aangetroffen bij verdachte bij zijn aanhouding en in zijn woning. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 onder C en het onder 3 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging moet verdachte van een groot deel van de tenlastegelegde stortingen van contante gelden worden vrijgesproken.

In de eerste plaats omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat anderen dan verdachte stortingen hebben verricht. In de tweede plaats omdat verdachte veelvuldig in het buitenland verbleef en hij toen dus helemaal geen contant geld op rekeningen in Nederland kon storten. De periodes gedurende welke verdachte in het buitenland verbleef heeft de raadsman in zijn pleitnotities opgenomen.

De verdachte stelt ook dat vrijspraak moet volgen voor het onder 2 onder C en het onder 3 ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 onder C en feit 3

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet bewezen wat onder feit 2 onder C en onder feit 3 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van het volgende uit.

Onderzoek naar de bankafschriften van bedrijf 1 t/m 10 laat het volgende beeld zien. Aanvankelijk is het saldo op de bankrekeningen ongeveer €0,00. Er worden vervolgens bedragen in contanten op die rekeningen gestort, variërend van €10.000,00 tot €100.000,00 per dag in transacties die vaak slechts enkele minuten na elkaar plaatsvinden. Korte tijd later, dat wil zeggen enkele uren of dagen na de stortingen, worden deze bedragen overgeboekt ofwel naar bankrekeningen van gelieerde ondernemingen ofwel naar bankrekeningen in het buitenland, doorgaans onder de vermelding “openstaand factuur”. Het merendeel van de buitenlandse bankrekeningen zijn rekeningen in China en Hong Kong.

De overboekingen komen voor wat betreft de hoogte van het bedrag overeen met het bedrag dat eerder contant is gestort, waardoor het saldo op de bankrekeningen waarop het contante geld aanvankelijk was gestort teruggebracht wordt tot rondom nul. Zonder de contante stortingen zou het saldo ontoereikend zijn geweest om de uitgevoerde overboekingen te verrichten. Uit de mutaties van de bankafschriften blijkt bovendien niet dat sprake is van enige reële bedrijfsvoering van deze ondernemingen. Er vinden geen normale betalingen bij een betaalautomaat plaats. De overboekingen naar buitenlandse ondernemingen worden bovendien niet gedekt door – bedrijfsmatige – bijboekingen van handelsgeld. Meerdere van de genoemde ondernemingen zijn blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel en/of de contactgegevens behorende bij de bankrekeningen gevestigd in een garagebox, in plaats van in een woning of een bedrijfspand. Onder deze omstandigheden is de rechtbank ervan overtuigd dat de bankrekeningen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan het ontvangen van contante stortingen en het vrijwel onmiddellijk doorboeken van die gelden. Niet is aannemelijk geworden dat de ondernemingen in de vermelde periodes enige reële handelsactiviteit hebben ontplooid.

Betrokkenheid verdachte bij deze ondernemingen

Voor de rechtbank staat vast staat dat verdachte de persoon is geweest die een groot deel van de contante stortingen en girale overboekingsopdrachten heeft verricht, maar ook dat een deel daarvan is uitgevoerd door aan verdachte gelieerde personen, waarbij persoon 1 een prominente rol heeft vervuld. De rechtbank acht het niet van wezenlijk belang dat verdachte de persoon is geweest die alle handelingen zelf heeft verricht, nu uit voorgaande getuigenverklaringen, tapgesprekken en uit in de woning van verdachte aangetroffen bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat verdachte de drijvende kracht was achter al deze ondernemingen, bankrekeningen en transacties, zodat alle contante stortingen en girale overboekingen onder de verantwoordelijkheid van verdachte zijn uitgevoerd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer, strekkende tot uitsluiting van strafrechtelijke toerekenbaarheid van verdachte voor stortingen en overboekingen die zijn verricht door anderen al dan niet tijdens het verblijf van verdachte in het buitenland. Ten aanzien van die stortingen en overboekingen beschouwt de rechtbank verdachte als dader, in het geval van de overboekingen door bedrijf 3 en bedrijf 2 als medepleger.

Bankrekeningen ten name van verdachte

In de periode van 27 februari 2012 tot en met 31 oktober 2013 is op de bankrekening met nummer ten name van verdachte een bedrag in contanten gestort van in totaal €60.720,00. In totaal hebben er 17 stortingen plaatsgevonden. Stortingen hebben op sommige dagen kort na elkaar plaatsgevonden en liepen per dag op tot bijna €30.000,00.

Verdachte ontvangt een uitkering van jaarlijks zo een €18.000,00 bruto. Verdachte heeft verklaard dat een deel van het gestorte geld aan zijn neven toebehoorde, die het opnamen, dan stortten, dan weer opnamen, dan weer stortten, enzovoorts. Ook zou verdachte enkele duizenden euro’s hebben verdiend in een casino. Verdachte heeft deze verklaringen echter niet onderbouwd met verifieerbare informatie, waardoor deze niet aannemelijk zijn gemaakt. De verklaring van verdachte dat hij telkens geld won in illegale casino’s acht de rechtbank dermate onwaarschijnlijk dat daaraan geen betekenis wordt verbonden. Verdachtes verklaringen daarover zijn overigens ook niet consistent.

Van het hiervoor genoemde bedrag heeft verdachte verklaard dat €20.000,00 is gestort door personen die containers kwamen kopen. Er is geen nader onderzoek gedaan naar deze personen en dit geldbedrag, terwijl dat wel mogelijk was geweest. De rechtbank rekent een storting van €20.000,00 op deze rekening van verdachte dan ook niet aan verdachte toe en spreekt verdachte in zoverre vrij.

In de periode van 6 februari 2012 tot en met 13 februari 2014 is op de bankrekening met nummer ten name van verdachte een bedrag in contanten gestort van in totaal €210.520,00. In totaal hebben er 89 stortingen plaatsgevonden. De gestorte bedragen varieerden van €100,00 tot €9.000,00 per storting. Stortingen hebben op sommige dagen kort na elkaar plaatsgevonden en liepen per dag op tot ruim €27.000,00.

Contante gelden aangetroffen op 7 januari 2015

Op 7 januari 2015 hebben verdachte en persoon 2 zich naar Schiphol begeven. Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is te zien dat verdachte iets uit een plastic tas pakt, die hij bij zich draagt, en aan persoon 2 overhandigt, waarna persoon 2 dat doet verdwijnen in een geldautomaat van de ABN AMRO bank. Verdachte en persoon 2 zijn vervolgens ieder achter een computer gaan zitten, waarna verdachte opnieuw een soortgelijke bundel uit zijn tas pakt en aan Al-Alaa overhandigt. persoon 2 heeft zich daarop opnieuw gevoegd in de rij voor de geldautomaat. Korte tijd later zijn beiden aangehouden. Bij verdachte is een contant geldbedrag van €40.000,00 aangetroffen. persoon 2 bleek in het bezit van €10.180,00. In de woning van verdachte is een contant geldbedrag van €246.250,00 aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat op 7 januari 2015 een geldbedrag van €10.000,00 is gestort op de rekening van bedrijf 4. Het stortingsbewijs van deze storting is bij verdachte aangetroffen bij zijn aanhouding.

Herkomst van de gelden

Uit informatie afkomstig van de Amerikaanse autoriteiten volgt dat een Colombiaanse vrouw, de eerder genoemde persoon 1, zich bezig zou houden met het witwassen van gelden in onder andere de Verenigde Staten en Nederland, welke gelden afkomstig zouden zijn van het op grote schaal importeren van verdovende middelen van Colombia naar Nederland. Daarbij zou onder meer gebruik gemaakt worden van bankrekeningen op naam van bedrijf 6 en bedrijf 8 B.V. Op 14 april 2014 is geobserveerd dat persoon 1 een ontmoeting had met een verdachte, waarna persoon 1 zich begaf naar de woning van verdachte. Korte tijd later is de zoon van verdachte, van deze woning naar een bankinstelling gereden, in de auto van verdachte, om €40.000 contant geld te storten op de bankrekening van bedrijf 1.

Uit het onderhavige onderzoek is, zoals hiervoor weergegeven, gebleken

  • dat verdachte nauw samenwerkt met persoon 1, die in verband wordt gebracht met een persoon die betrokken zou zijn bij het invoeren en verhandelen van verdovende middelen,
  • dat verdachte grote geldbedragen contant heeft gestort op meerdere bankrekeningen,
  • dat verdachte de beschikking had over de bankrekeningen van vele ondernemingen waar hij op papier niets mee van doen had,
  • dat de betrokken ondernemingen geen bedrijfsactiviteiten ontplooiden,
  • dat de betrokken ondernemingen over nagenoeg geen liquide middelen beschikten,
  • dat alle gestorte gelden korte tijd na de storting naar buitenlandse bankrekeningen werden overgeboekt,
  • dat verdachte grote geldbedragen in zijn woning voorhanden heeft gehad,
  • dat verdachte een groot geldbedrag bij zich droeg ten tijde van zijn aanhouding,
  • dat de inkomsten van verdachte bestaan uit een uitkering van €18.000,00 bruto per jaar,

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een verifieerbare verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Dit heeft verdachte niet gedaan; hij geeft, op enkele duizenden euro’s na, geen verklaring over de legale herkomst van de gelden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan, dan dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist.

Feit 2 onder A en B

In de woning van verdachte zijn op 7 januari 2015 verschillende bescheiden aangetroffen, waaronder een vrachtbrief gericht aan bedrijf 11 in Egypte, alsmede twee facturen van bedrijf 1 gericht aan bedrijf 2 respectievelijk bedrijf 3.

Door een documenten deskundige van de belastingdienst is onderzoek verricht naar de vrachtbrief van bedrijf 1 gericht aan bedrijf 11 in Egypte en geconcludeerd dat deze vals is. Deze conclusie is vooral gebaseerd op het feit dat het geschift geheel is vervaardigd door machineschrift en dat de kopieafbeeldingen van de handtekeningen identieke kenmerken vertonen voor wat betreft detailleringen alsmede de positionering daarvan.

Na onderzoek door de politie wordt geconcludeerd dat de facturen van bedrijf 1 vals zijn, nu de geschriften mankementen vertonen ten aanzien van data, nummering, bedragen en omschrijvingen.

Naam 3 heeft verklaard dat zijn ondernemingen bedrijf 2 en bedrijf 3 geen goederen en/of diensten hebben geleverd aan bedrijf 1. Om deze reden komt bedrijf 1 dan ook niet voor in de administratie van bedrijf 2 respectievelijk bedrijf 3. De bij verdachte aangetroffen facturen zijn volgens naam 3 vals en voorzien van factuurnummers die afkomstig waren van verdachte.

Bewezenverklaring

  1. gewoontewitwassen;
  2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf van 5 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^