Enkele storten op eigen bankrekeningen onvoldoende voor gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op verbergen of verhullen, ook als dat “voor ‘reguliere’ uitgaven” gebeurt. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 maart 2013 de verdachteveroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 216 uren wegens feit 1 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en feit 3 medeplegen van witwassen.

Vijfde middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde 'witwassen' oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090).

Blijkens zijn overwegingen - en meer in het bijzonder blijkens de overweging: "Mede uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan bewezenverklaring van feit 1 leidt het hof voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat de door verdachte en medeverdachte gedane uitgaven mede werden gefinancierd met geld afkomstig uit de hennepteelt. Door dit geld deels in porties op een bankrekening te storten voor "reguliere" uitgaven, werd de werkelijke herkomst van dit geld verhuld" - heeft het Hof deze rechtspraak op het onderhavige geval van toepassing geacht.

Uit deze door het Hof gegeven motivering kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat ten aanzien van de door het Hof genoemde stortingen sprake is van gedragingen die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Het enkele storten op eigen bankrekeningen (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500) is daartoe onvoldoende, ook als dat - op de door het Hof genoemde, maar niet nader uitgewerkte wijze - "voor 'reguliere' uitgaven" gebeurt.

Het middel is terecht voorgesteld.

Conclusie AG: contrair

36. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden opgemaakt dat er niet louter sprake was van het voorhanden hebben van geldbedragen, maar ook van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Ik merk daarbij in de eerste plaats op dat in de bewezenverklaring in algemene zin wordt gesproken van “geldbedragen”. In dat verband valt te denken aan de periodieke stortingen op een rekening bij de Rabobank op naam van de verdachte van € 2.200,-, welk bedrag overeenkomt met het huurbedrag voor de kelder. Door middel van het storten van geldbedragen die – gelet op de (afwezigheid van) inkomsten uit arbeid – afkomstig moeten zijn geweest uit de handel van hennep, hebben de verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van het hof de criminele herkomst van het geldbedrag verhuld door de schijn te wekken dat het zou gaan om huuropbrengsten. Het oordeel van het hof dat het geheel van deze handelingen “witwassen” oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

37. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF