'Verhullen van de herkomst bij witwassen: Een stand van zaken en handvatten voor de praktijk'

Als witwassen is in het Wetboek van Strafrecht in art. 420bis lid 1 sub b strafbaar gesteld het voorhanden hebben, verwerven, overdragen, omzetten of gebruik maken van een voorwerp dat uit een misdrijf afkomstig is. Toen witwassen in 2001 expliciet strafbaar werd gesteld in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht overwoog de minister daartoe in de memorie van toelichting – samengevat – dat de aanpak van witwassen via de helingbepalingen op een belangrijke beperking stuitte, te weten de heler-steler- regel. De helingbepalingen zorgden ervoor dat de verdachte niet voor witwassen vervolgd zou kunnen worden als hij een voordeel uit eigen misdrijf had verkregen en dat vervolgens zelf in het witwastraject had gebracht. In de memorie van toelichting valt te lezen dat de minister van oordeel was dat witwassen ook strafbaar behoorde te zijn wanneer het om opbrengsten ging uit eigen misdrijf. Dat opende voor een aantal strafzaken de mogelijkheid dat een verdachte door het Openbaar Ministerie kon worden vervolgd voor het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf (ter voorbeeld: de dief die een fiets steelt, wast ook direct die fiets wit op het moment dat hij deze steelt. Hij heeft de fiets immers ‘voorhanden’). Dit bracht de Hoge Raad voor een dilemma: naar de tekst van de wet is het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf voldoende voor een witwasveroordeling maar blijkens de memorie van toelichting is het doel van de witwasbepalingen het aanpakken van de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde. Worden deze aangetast bij het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf afkomstig? De Hoge Raad beantwoordde deze laatste vraag ontkennend en kwam met een oplossing. Deze oplossing wordt in de dogmatiek de kwalificatieuitsluitingsgrond genoemd.

Gelet op de ontwikkelingen in de rechtspraak beogen de auteurs van dit artikel een juridisch kader te geven waarin wordt uitgelegd wat deze kwalificatieuitsluitingsgrond inhoudt, hoe de rechterlijke macht deze kwalificatieuitsluitingsgrond heeft toegepast in de praktijk, hoe deze kwalificatieuitsluitingsgrond zich verhoudt tot het begrip herkomst genoemd in sub a van art. 420bis lid 1 en tot slot bieden zij enkele handvatten voor de praktijk (opsporing, vervolging, rechterlijk oordeel en verdediging).

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens witwassen: geld afkomstig uit deelname aan pokertoernooi

Rechtbank Oost-Brabant 4 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:3464 De rechtbank veroordeelt verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van ruim €78.000.

De raadsman heeft ter zitting een tweetal verweren gevoerd. Allereerst heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake kan zijn van witwassen, omdat verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld een plausibele en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Verdachte heeft immers verklaard dat hij het onder hem in beslag genomen geldbedrag heeft gewonnen met het spelen van de pokervariant Texas Hold´Em, door in besloten setting poker te spelen. Gelet op het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juli 2010 (ECLI:RBSGR:2010:BN0013) is Poker Hold´Em geen kansspel is in de zin van de Wet op de kansspelen (WOK). De raadsman is van mening dat het door middel van poker verkregen geld niet afkomstig is van enig misdrijf.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat het spelen van poker waaronder de meest voorkomende variant Texas Hold´em, met name in toernooivorm, een kansspel betreft in de zin van de WOK. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de conclusies in de arresten van het gerechtshof Leeuwarden (ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1198) en het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:2316), waarnaar zij kortheidshalve verwijst. De rechtbank hecht meer waarde aan deze in 2012 en 2013 gewezen arresten dan aan het door de raadsman aangehaalde vonnis van de rechtbank uit 2010. Verdachte heeft verklaard dat het onder hem in beslag genomen geldbedrag het prijzengeld betreft dat hij heeft gewonnen tijdens een (meerdaags) illegaal pokertoernooi in Nederland. Op grond van artikel 1, eerste lid en onder a, juncto artikel 36 van de WOK is het organiseren van genoemd pokertoernooi strafbaar gesteld als een misdrijf. Het gewonnen prijzengeld van dit toernooi is derhalve middellijk dan wel onmiddellijk van een misdrijf afkomstig.

Verder heeft de raadsman ter zitting bepleit dat geen sprake kan zijn van witwassen, omdat het prijzengeld is verkregen met een door verdachte zelf begaan misdrijf. De raadsman wijst erop dat dan blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad bijzondere eisen worden gesteld ten aanzien van een bewezenverklaring van witwassen (ECLI:NL:2013:150 en ECLI:NL:2014:11). Volgens de Hoge Raad is voor het bewijs van witwassen van door verdachte zelf door misdrijf verkregen voorwerpen, vereist dat blijkt dat “de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijke verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.”

Het handelen van verdachte ziet naar de mening van de verdediging niet op het verhullen van de herkomst van het geld, maar uitsluitend op het voorkomen dat hij zou worden betrapt op het niet doen van aangifte van het vervoeren van een groot geldbedrag binnen de Europese Unie. Dat laatste is niet strafbaar.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De raadsman gaat er aan voorbij dat het geldbedrag dat verdachte onder zich had afkomstig was van een illegaal georganiseerd pokertoernooi. Het zonder vergunning organiseren van een pokertoernooi is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 1, eerste lid en onder a, juncto artikel 36 van de WOK. Het prijzengeld is derhalve afkomstig van enig misdrijf, niet zijnde een misdrijf dat door verdachte zelf is begaan. Gelet hierop is sprake van witwassen. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen als hierna te melden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf  van 4 maanden voorwaardelijk  met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak (gewoonte)witwassen: uit dossier blijkt onvoldoende dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het op zijn bankrekening geboekte geld van misdrijf afkomstig was

Rechtbank Noord-Nederland 4 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2671

De rechtbank stelt vast dat verdachte, medeverdachte en medeverdachte 1 tegenover de FIOD en bij de rechter-commissaris verschillende en met elkaar tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de herkomst van het geld en de gang van zaken rond de overboeking daarvan. Verdachte heeft verklaard dat hij van medeverdachte het in de tenlastelegging bedoelde bedrag van € 360.000,-- heeft geleend en op zijn rekening heeft ontvangen, ten behoeve van de aankoop van een appartement in Brazilië. Medeverdachte heeft het bestaan van een dergelijke lening ontkend en verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte 1 geld heeft geprobeerd over te boeken naar Brazilië en dat, toen dit niet bleek te lukken, hij dit geld naar een rekening heeft overgemaakt die aan hem door medeverdachte 1 was opgegeven. Medeverdachte 1 heeft daarentegen verklaard dat hij tussen medeverdachte en verdachte heeft bemiddeld om zo op informele wijze een financiering voor verdachte te verkrijgen voor de aankoop van het appartement.

De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen welke van deze verklaringen de juiste is, ook al omdat de door verdachte en medeverdachte 1 bedoelde leningsovereenkomst nooit is overgelegd. In ieder geval vindt de stelling van de officier van justitie dat medeverdachte het appartement in Brazilië zou hebben gekocht en dat verdachte daarvoor als stroman zou hebben gefungeerd onvoldoende steun in het dossier. Uit de verklaring van persoon 2 kan worden afgeleid dat medeverdachte in Brazilië helemaal niet in beeld was, aangezien hij verklaart alleen zaken te hebben gedaan met verdachte. Verdachte heeft ook verklaard dat hij persoonlijk in Brazilië is geweest voor de aankoop van het betreffende appartement.

Eén en ander betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van de verwijten uit zal dienen te gaan van de eigen verklaring van verdachte. Zo al zou moeten worden aangenomen dat het aan hem verstrekte geld afkomstig was uit enig misdrijf, blijken daaruit geen feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank kan afleiden dat verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De enkele constatering dat verdachte geld heeft geleend in het informele circuit is daarvoor onvoldoende.

Gelet op het voorgaande dient verdachte vrijgesproken te worden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Preventing money laundering: a legal study on the effectiveness of supervision in the European Union'

Money laundering is criminalised virtually all around the world and has been a law enforcement priority since the early 1990s. The international nature of money laundering, combined with estimations on the scope and the distorting effects it may bring about, make it a grave danger to society due to its strong interaction with organised drugs and white-collar crime. Over the years a 'twin-track approach'has been developed, aiming at the prevention of money laundering on the one hand, and punishing the money launderers on the other. This publication analyses the effectiveness of the anti-money laundering supervision of banks, real estate agents and accountants in the Netherlands, Spainand the UK. It thoroughly analyses the legislation, the institutional settings and competences of anti-money laundering supervisors, as well as the application of these competences in practice. Based on this analysis, a number of recommendations for the EU legislators and the national legislators are formulated in order to strengthen and increase the effectiveness of anti-money laundering supervision.

Praktische Informatie

  • Titel boek: Preventing money laundering: a legal study on the effectiveness of supervision in the European Union
  • Auteur: Melissa van den Broek
  • 978‐94‐6236‐577‐3
  • 1st edition
  • €  62.50

Klik hier om het boek te bestellen.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: niet geloofwaardige verklaringen van verdachte over de herkomst van geldbedragen. Conclusie AG: contrair.

Hoge Raad 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500 Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat hij tezamen met zijn echtgenote de beschikking heeft gehad over grote geldbedragen. Het gaat om een bedrag van in totaal € 257.876,51. Verdachte is bij arrest van 8 mei 2013 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden wegens medeplegen gewoontewitwassen.

In zijn arrest heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte en zijn echtgenote geen inkomsten in Nederland hebben gehad die het voorhanden hebben van dergelijke grote geldbedragen kunnen verklaren en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor de bedragen heeft gegeven. Aan de verklaringen die de verdachte voor het geld heeft gegeven heeft het hof uitdrukkelijk geen geloof gehecht:

  1. een erfenis van de vader van de verdachte terwijl over het sterfjaar en over de inhoud van de erfenis wisselend werd verklaard als te bestaan uit een stuk grond, geld, een drukkerij, dan wel huizen;
  2. tegenstrijdige verklaringen over inkomsten uit restaurants in Nigeria.

Hierbij komt dat de verdachte de gestelde legale inkomsten niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst en de verdachte – integendeel – een zeer klein bedrag aan belastingen heeft betaald in Nigeria dat in geen verhouding staat tot de door de verdachte gestelde Nigeriaanse inkomsten. Gelet op alle omstandigheden, “de hoogte van de geldbedragen en nu verdachte naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring hiervoor heeft gegeven, kunnen deze geldbedragen naar het oordeel van het hof niet anders dan – middellijk dan wel onmiddellijk – afkomstig zijn van enig misdrijf.”

Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wist dat de voorwerpen die hij heeft witgewassen van enig misdrijf afkomstig waren.

Beoordeling Hoge Raad

Dat geldbedragen die een verdachte voorhanden heeft gehad "uit enig misdrijf afkomstig" zijn, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456).

In de onderhavige zaak heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat, gelet daarop, van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Aldus heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslast van het tenlastegelegde bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf".

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte over de door hem gestelde herkomst van de geldbedragen, waarnaar nader onderzoek is gedaan, wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat die verklaringen niet geloofwaardig zijn. In aanmerking genomen hetgeen het Hof in daaromtrent heeft overwogen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG: contrair

6. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat het hof van de verdachte mocht verlangen dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de grote geldbedragen waarover hij tezamen met zijn echtgenote de beschikking heeft gehad omdat hij tezamen met zijn echtgenote in Nederland geen inkomsten heeft gehad die het voorhanden hebben van dergelijke grote geldbedragen kunnen verklaren. Deze omstandigheid leidt er echter niet toe dat het vervolgens aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.1

7. De vraag is echter of het oordeel van het hof begrijpelijk is voor zover hof het geen geloof heeft gehecht aan de verklaringen van de verdachte. Ik meen dat het oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, omdat het hof te hoge eisen stelt aan de consistentie waarmee mensen redelijkerwijs kunnen verklaren in het algemeen en aan de uit Nigeria afkomstige (analfabete) verdachte in het bijzonder. Waar het op neerkomt is dat de inconsistenties waarop het hof wijst, naar mijn mening onvoldoende zijn om geen geloof te hechten aan de verklaringen die de verdachte voor het geld heeft gegeven. Hierbij ben ik me ervan bewust dat dit een overwegend feitelijk oordeel van de rechter betreft, maar de motivering daarvan kan wel op haar begrijpelijkheid worden getoetst.

8. Om een en ander uiteen te zetten is het noodzakelijk de vrij uitvoerige en gedetailleerde overwegingen van het hof hier weer te geven. Het gaat mij vooral om de (inhoud van de) erfenis en de inkomsten die de verdachte uit meerdere restaurants zou hebben genoten.

“ii. De omstandigheid dat zowel over de inhoud van een gestelde erfenis als over de datum van overlijden van de vader van verdachte wisselend en tegenstrijdig is verklaard door zowel verdachte als hierover gehoorde getuigen.

Ten aanzien van de datum van overlijden van de vader van verdachte wijst het hof in dit verband op de verklaringen van:

  • de echtgenote van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 28 december 2010, inhoudende dat de vader van verdachte in de periode 1995 tot 1998 is overleden; (proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris te Breda d.d. 28 december 2010)
  • verdachte bij de politie d.d. 14 april 2009, inhoudende dat zijn vader in 1999 is overleden; (Zaaksdossier C 4/1, pagina 738)
  • de broer van verdachte, [betrokkene 1] tijdens zijn verhoor in Nigeria door de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012, inhoudende dat zijn vader pas in 2001 is overleden, (proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012)

Ten aanzien van inhoud van de gestelde erfenis wijst het hof in dit verband op:

  • de verklaring van verdachte bij de politie d.d. 14 april 2009, inhoudende dat zijn vader een stuk grond en geld heeft nagelaten; (Zaaksdossier C 4/1, pagina 738).
  • de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 18 februari 2010, inhoudende dat hij in het bezit is geraakt van een drukkerij en een privébedrijf, waarbij ook zijn vader betrokken is geweest. Tevens zou hij een stuk land hebben gekocht; (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 18 februari 2010)
  • het tijdens de procedure in hoger beroep op de terechtzitting van 10 augustus 2010 overgelegde geschrift met als opschrift 'Sworn Affidavit ' d.d. 18 augustus 2009 afkomstig van de broer van verdachte, [betrokkene 1]. De broer van verdachte stelt in dit geschrift dat zijn vader huizen en geld op de bank heeft achtergelaten aan zijn kinderen. [betrokkene 1] spreekt dan over bedrijven noch over grond; ('Sworn Affidavit ', aangehecht aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 10 augustus 2010)
  • de verklaring van de broer van verdachte, [betrokkene 1] tijdens zijn verhoor in Nigeria door de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012, inhoudende dat zijn vader een groot stuk land, een drukkerij, geld en huizen aan zijn kinderen heeft nagelaten; (Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012).
  • het tijdens de procedure in hoger beroep op de ter terechtzitting d.d. 14 november 2012 overgelegde geschrift d.d. 12 december 1996 met als opschrift "This is last Will and Testament of [betrokkene 2]". In dit stuk is vermeld dat de vader van verdachte aan zijn drie kinderen, negen te onderscheiden landerijen - met een aanduiding van de locatie waaruit is af te leiden dat deze niet aangrenzend zijn - een drukkerij, giraal geld van vier bankrekeningen en aandelen heeft nagelaten (geschrift d.d. 12 december 1996 met als opschrift "This is last Will and Testament of [betrokkene 2], aangehecht aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012).

Gelet op deze wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen zowel ten aanzien van de inhoud van de erfenis als de datum van overlijden van de vader van verdachte, hecht het hof geen geloof aan de gestelde geërfde vermogensbestanddelen door het overlijden van de vader van verdachte en het ter onderbouwing overgelegde testament.

iii. De omstandigheid dat verdachte en zijn echtgenote over de gestelde inkomsten uit Nigeriaanse restaurants wisselend en tegenstrijdig hebben verklaard. Het hof wijst in dit verband op:

  • de verklaring van verdachte bij de politie d.d. 19 maart 2009, inhoudende dat hij vijf restaurants had, waarmee hij gemiddeld € 500,- per dag verdiende. (Zaaksdossier C 4/1, pagina 727).
  • de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 18 februari 2010, inhoudende dat hij geen groot inkomen verdiende uit de Nigeriaanse restaurants. Hij verdiende zo'n € 100,- tot € 120,- per dag uit de restaurants. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 18 februari 2010).
  • de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 november 2012. Op deze zitting is verdachte geconfronteerd met het feit dat hij tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 20 december 2010 als getuige in de zaak van zijn echtgenote heeft verklaard dat hij € 500,- per restaurant per dag verdiende, hetgeen op jaarbasis zou betekenen dat hij meer dan € 900.000,- aan inkomsten uit' zijn restaurants zou ontvangen. Verdachte verklaart dan dat hij ongeveer € 100,- per restaurant per dag verdiende. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012).
  • de als jaaroverzichten aangeduide geschriften over 2007 en 2008 die de verdediging bij brief van 10 augustus 2010 heeft overgelegd (als productie 4 gevoegd bij voornoemde brief). Verdachte is in staat gesteld om aan de hand van de gestelde jaaroverzichten duidelijk te maken van hoeveel restaurants hij (mede) eigenaar was in Nigeria en wat de winst was van deze restaurants. Gebleken is dat verdachte daartoe niet in staat is, ondanks dat hij stelt dergelijke overzichten enigszins te begrijpen (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012)

Gelet op de onduidelijkheden en de wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen hecht het hof dan ook geen geloof aan de gestelde inkomsten uit Nigeriaanse restaurants en de ter onderbouwing overgelegde jaaroverzichten. Laat ik beginnen met de inhoud van de erfenis.”

9. Wat de inhoud van de erfenis betreft, stel ik voorop dat het hof niet heeft vastgesteld dat er geen erfenis is waarin de verdachte als erfgenaam aanspraak op heeft. Het hof wijst zelfs onder meer op een ter terechtzitting van het hof overgelegd document dat klaarblijkelijk als testament kan worden aangemerkt. De inhoud van dat document biedt steun aan zowel het bestaan van een testament waarop de verdachte zich heeft beroepen als aan onderdelen waaruit de erfenis volgens de verdachte zou bestaan. Reeds in zoverre acht ik het oordeel van het hof met betrekking tot de erfenis, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Ook de inhoud van de erfenis stemt op hoofdpunten overeen. Dat de verdachte niet consistent verklaart over de gehele omvang van de erfenis, acht ik gelet op de omvang van de nalatenschap eerder begrijpelijk dan onbegrijpelijk. Duidelijk is op basis van het overgelegde testament dat er een substantiële nalatenschap is. Het lijkt me dan vervolgens bepaald niet vreemd dat een van de erfgenamen niet telkens de volledige omvang van de erfenis kan reproduceren. Bovendien is het maar de vraag op welk deel van de erfenis de verdachte als erfgenaam aanspraak heeft zodat het perspectief bepalend kan zijn voor de wijze waarop de verdachte over de erfenis heeft verklaard. Bovendien verklaart de verdachte over “een stuk grond”, “geld”, “een drukkerij en een privébedrijf”, terwijl uit het overgelegde testament blijkt dat de nalatenschap van de vader bestaat uit landerijen, “een drukkerij”, “giraal geld van vier bankrekeningen en aandelen” zodat het testament de verklaringen van de verdachte grotendeels ondersteunt. Alleen het bestaan van “een privébedrijf” wordt niet door het testament gesteund maar “negen te onderscheiden landerijen” zou er ook op kunnen wijzen dat de vader een boerderij bezat in welk verband doorgaans over landerijen wordt gesproken. Hierbij komt nog dat de broer van de verdachte heeft verklaard over de nalatenschap die zou bestaan uit “huizen” en “geld”, “een groot stuk land” en een “drukkerij”. Kortom, het hof verwijst naar verklaringen en documenten die de verklaringen van de verdachte ondersteunen, zodat het voor mij zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is waarom dit de verklaringen van de verdachte naar het oordeel van het hof onbegrijpelijk maakt.

10. Ook de datum van overlijden lijkt mij niet doorslaggevend. In de eerste plaats niet omdat het er in de kern om gaat dát de vader van de verdachte is overleden en in mindere mate op welk moment dat exact is geweest. Het hof lijkt aan te nemen dat de vader van de verdachte is overleden. In de tweede plaats omdat het een feit van algemene bekendheid kan worden genoemd dat in verschillende culturen verschillend kan worden gedacht over het belang van data. Als voorbeeld noem ik geboortedata van mensen die in Afrika zijn geboren die geregeld door Nederlandse instanties op 1 januari worden gesteld omdat nota bene de ouders zelf de exacte datum niet weten. Als onduidelijkheid kan bestaan over de geboortedatum van een kind dat leeft, waarom zou dat dan anders liggen voor de overlijdensdatum van een van de ouders? Het niet consistent reproduceren van een overlijdensdatum betekent nog niet dat de verdachte geen erfenis heeft ontvangen, temeer omdat het hof niet heeft vastgesteld dat over het overlijden onwaar wordt verklaard.

11. Dan nog de inkomsten uit restaurants. Als ik de door het hof weergegeven verklaringen lees, krijg ik daaruit de indruk dat over een weer sprake is geweest van misverstanden over netto opbrengsten en het aantal restaurants. De verklaringen van de verdachte zoals die door het hof in dit verband zijn gebruikt vormen een consistent verhaal dat inhoudt dat hij inkomsten uit restaurants in Nigeria had. Bovendien vind ik het misverstand – dat per restaurant € 500,- per dag werd verdiend, of dat met vijf restaurants per dag € 100,- per restaurant werd verdiend en dus in totaal € 500,- – sowieso wel voorstelbaar, en zeker als een verhoor wordt vertaald. Ik vestig hier de aandacht op omdat de verdachte ook ter terechtzitting van het hof van 14 november 2012 zegt dat hij denkt “dat er iets fout is gegaan in de communicatie” als hij daar wordt geconfronteerd met een door de voorzitter voorgehouden tegenstrijdigheid tussen wat hij ter terechtzitting heeft verklaard en eerder bij de RC.

12. Het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte wisselend en onderling tegenstrijdig zijn, acht ik zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.

13. Is hiermee gezegd dat de verdachte niets heeft uit te leggen over de geldbedragen waarover hij heeft kunnen beschikken? De verdachte heeft wel degelijk een en ander uit te leggen, maar bij deze stand van zaken had het hof hetgeen de verdachte heeft aangevoerd niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, opzij mogen zetten. Toegepast op de overwegingen van het hof acht ik het oordeel van het hof, dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

14. Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen: niet kan worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn uit het oplichten van de Belastingdienst (fraude met kinderopvangtoeslag)

Gerechtshof Den Haag 22 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1227

In eerste aanleg is verdachte voor witwassen veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de geldbedragen die worden toegeschreven aan respectievelijk [gastouderbureau I], [holding I] en [stichting I] van misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van de geldbedragen van € 40.000,-, € 10.000,- en € 70.000,- overweegt het hof het volgende. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de laatste betaling van kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst dateert van 5 november 2008 en dat op 10 november 2008 beslag is gelegd op de bankrekeningen van de aan de medeverdachte gelieerde B.V.’s. Voornoemde bedragen zijn op de rekening van [gastouderbureau A] bijgeschreven (en later doorgestort naar de verdachte) nadat de Belastingdienst was gestopt met het uitkeren van kinderopvangtoeslag en nadat beslag was gelegd op de betreffende bankrekeningen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat meergenoemde geldbedragen afkomstig zijn uit het oplichten van de Belastingdienst. Van een andere criminele herkomst is het hof niet gebleken.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen door Europees Parlement

Op 20 mei heeft het Europees Parlement de Vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. De richtlijn zal geen drastische, maar toch wel enkele aanpassingen, van de wetgever vergen. De oorsprong van deze is (mede) gelegen in aanbevelingen van de Financial Action Task Force uit 2012. Deze aanbevelingen zijn eerder al in de Wwft verwerkt, waardoor onze regelgeving al grotendeels in overeenstemming met de vierde anti-witwasrichtlijn. Daarnaast streeft de richtlijn minimumharmonisatie na, waardoor op voorhand niet volledig duidelijk is te zeggen hoe de Wwft er na de implementatie uit zal zien.

Lidstaten hebben twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving.

Enkele wijzigingen op basis van de Vierde anti-witwasrichtlijn:

  • Toepassingsbereik: De richtlijn zal het toepassingsbereik van de Wwft uitbreiden tot (online) kansspelaanbieders, handelaren in goederen van grote waarde bij contante betalingen van EUR 10.000 en meer en aanbieders van verhuurdiensten.
  • Risicogebaseerde benadering: De vierde anti-witwasrichtlijn kent een risicogebaseerde benadering. Dat is op zich niets nieuws voor NL: ook de derde richtlijn en de Wwft kennen een dergelijke benadering. Echter, in de vierde anti-witwasrichtlijn wordt deze benadering verder doorgevoerd, waardoor dit ook voor NL gevolgen heeft.
  • UBO: Een wijziging ten opzichte van de derde anti-witwasrichtlijn is dat in de richtlijn indicaties worden gegeven van wanneer sprake is van ‘direct ownership’ of ‘indirect ownership’ en op basis van de richtlijn komt er een register waaruit voor rechtspersonen, personenvennootschappen en andere entiteiten blijkt wie de UBO’s zijn.
  • Beleid, procedures en opleiding: Instellingen zijn op basis van de richtlijn verplicht om beleid, controlemechanismen en procedures te hebben om risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinancieringte matigen en te beheersen. Deze verplichting is al opgenomen in de Wwft.
  • Bescherming werknemers: In de richtlijn is bepaald dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen, waaronder werknemers en vertegenwoordigers van de instellingen, die vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering intern of extern (bij de FIU) melden, worden beschermd tegen bedreiging of daden van agressie. Dit is verwerkt in het thans aanhangige wetsvoorstel Huis voor klokkenluiders.

Voor meer informatie:

 

 

Print Friendly and PDF ^

'De vierde anti-witwasrichtlijn en de gevolgen voor Wwft-instellingen'

De vierde anti-witwasrichtlijn kan ieder moment door het Europees Parlement worden aangenomen. Daarna moet deze binnen twee jaar zijn geïmplementeerd in de Nederlandse Wwft. De richtlijn zal niet tot drastische wijzigingen leiden in het Nederlandse anti-witwasregime, maar de Nederlandse wetgever kan niet wegblijven van enkele aanpassingen. In dit artikel worden de onderdelen van de richtlijn besproken die naar verwachting tot een wijziging van de Wwft zullen leiden, zoals de uitbreiding van het toepassingsbereik, de verdere doorvoering van de risicogebaseerde benadering en het opzetten van een UBO-register. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Cursus Witwassen

De bestrijding van witwassen staat nog altijd hoog op de agenda van opsporingsdiensten en beleidsmakers. Zo zien we een nog altijd een groeiend aantal witwaszaken bij de strafkamers. Ondanks bezuinigingen op de strafrechtsketen is meer geld vrijgemaakt voor de aanpak van witwassen. Binnen de politie, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) alsmede het Openbaar Ministerie (OM) is van alles in gang gezet, opdat structureel meer witwaszaken worden opgepakt. De aanpak van witwassen en het ‘afpakken’ van misdaadgeld zijn dan ook prioriteit bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. 

Tijdens deze cursus wordt onder meer ingegaan op de reikwijdte van de witwasbepalingen, mogelijk te voeren verweren en recente ontwikkelingen. Het onderwerp wordt  belicht zowel vanuit de advocatuur als het Openbaar Ministerie. Zo wordt van beide zijden een interpretatie gegeven aan de witwasjurisprudentie. Afgesloten wordt met een 'prikkelende' bijdrage van Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. 

 

Programma

Deel I  Anita van Dis

  • Introductie
  • Witwasbestrijding in NL
  • Invloed FATF en EU op witwasbeleid
  • Typologieën
  • WWFT & WED meldplicht en aanpak OM

 

Deel II  Dirk Timmermans

  • Strafbaarstelling witwassen
  • Reikwijdte van de witwasbepalingen & lijn in de jurisprudentie
  • Mogelijkheden & rol verdediging in voorbereidend onderzoek
  • Mogelijk te voeren verweren ter terechtzitting
  • Bewijs witwassen / typologieën

 

Deel III  Greetje Bos

  • Interpretatie van witwasjurisprudentie volgens het OM
  • Alternatieve aanpak & afdoening
  • Te verwachten trends
  • Nieuwe wetgeving

 

Deel IV  Paul Vugts

 

Klik hier voor het programma in PDF.

 

Sprekers

  • Greetje Bos, witwasofficier bij het Landelijk Parket
  • Anita van Dis - Setz, Landelijk OvJ bestrijding witwassen en terrorismefinanciering bij het Functioneel Parket
  • Dirk Timmermans, 010 Strafrecht Advocaten
  • Paul Vugts, (misdaad)verslaggever bij Het Parool. Hij schreef o.a. de bestsellers Hells Angels, motorclub of misdaadbende? (samen met Henk Schutten), De Endstra-tapes en De oorlog in de Amsterdamse onderwereld (samen met Bart Middelburg), en De strijd tegen de Amsterdamse onderwereld. Vugts won met onder meer dat laatste boek de Persprijs Jacques van Veen 2013.

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Leden van de zittende en staande magistratuur
  • Leden van toezicht- en opsporingsteams
  • Handhavers

 

Praktische Informatie

Datum: Vrijdag 29 mei 2015

Tijd: 9.30 - 16.15 uur Inloop vanaf 9.00 uur

Locatie: Plein 15-16 (2511 CR) te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten) en nabij Pleingarage (2 minuten).

Kosten: € 385,- excl. BTW Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Lunch
  • Consumpties

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Aankoop onroerend goed met uit misdrijf (valsheid in geschrifte en oplichting) verkregen gelden is wel witwassen. HR herhaalt recente rechtspraak over de kwalificatie van witwassen.

Hoge Raad 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950 Verdachte is veroordeeld wegens het onder 4 bewezenverklaarde verwerven van woningen en/of loodsen, alsmede het gebruik maken daarvan, terwijl zij wist dat deze woningen en/of loodsen "onmiddellijk of middellijk" van misdrijf afkomstig waren.

Het Hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen, meermalen gepleegd".

Het Hof heeft ten aanzien van de kwalificatie het volgende overwogen:

"Voorop wordt gesteld dat, wanneer vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof heeft evenwel bewezen verklaard dat verdachte de onderhavige onroerende goederen, die - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft verworven en van een deel van die onroerende goederen gebruik heeft gemaakt, gedragingen ten aanzien van welke de door de raadsman gestelde eis blijkens de betreffende vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet geldt.

Meer in het bijzonder overweegt het hof dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) hypothecaire leningen, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerende goederen verworven en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf. Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (NJ 2010, 655) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van het de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door haar handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende goederen te betalen en vervolgens (een deel van) die onroerend goederen ook als rechthebbende te gebruiken."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde “witwassen” oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Die rechtsregels gelden derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard het verwerven van woningen en/of loodsen, alsmede het gebruik maken daarvan, terwijl zij wist dat deze woningen en/of loodsen "onmiddellijk of middellijk" van misdrijf afkomstig waren.

Uit overweging van het Hof kan worden afgeleid dat de verdachte door middel van oplichting en/of valsheid in geschrifte hypothecaire leningen heeft afgesloten waarna zij de uit deze hypothecaire leningen verkregen gelden heeft aangewend voor de aankoop van de in de bewezenverklaring genoemde woningen en/of loodsen. Deze voorwerpen zijn dus - anders dan de voor de aankoop gebruikte gelden - niet "onmiddellijk" afkomstig van de door de verdachte gepleegde oplichting en valsheid in geschrifte.

Voorts geldt dat de nadere motiveringseis uitsluitend ziet op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij geldt in beginsel niet in gevallen als het onderhavige waarin eveneens is bewezenverklaard het "gebruik maken" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan dit begrip toekomt - van zulke voorwerpen (vlg. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, rov. 2.4.1 en 2.4.2).

Het Hof heeft de gedragingen van de verdachte met betrekking tot de woningen en/of loodsen terecht en zonder tot de motivering gehouden te zijn gekwalificeerd als witwassen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^