'Verhullen van de herkomst bij witwassen: Een stand van zaken en handvatten voor de praktijk'

Als witwassen is in het Wetboek van Strafrecht in art. 420bis lid 1 sub b strafbaar gesteld het voorhanden hebben, verwerven, overdragen, omzetten of gebruik maken van een voorwerp dat uit een misdrijf afkomstig is. Toen witwassen in 2001 expliciet strafbaar werd gesteld in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht overwoog de minister daartoe in de memorie van toelichting – samengevat – dat de aanpak van witwassen via de helingbepalingen op een belangrijke beperking stuitte, te weten de heler-steler- regel. De helingbepalingen zorgden ervoor dat de verdachte niet voor witwassen vervolgd zou kunnen worden als hij een voordeel uit eigen misdrijf had verkregen en dat vervolgens zelf in het witwastraject had gebracht. In de memorie van toelichting valt te lezen dat de minister van oordeel was dat witwassen ook strafbaar behoorde te zijn wanneer het om opbrengsten ging uit eigen misdrijf. Dat opende voor een aantal strafzaken de mogelijkheid dat een verdachte door het Openbaar Ministerie kon worden vervolgd voor het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf (ter voorbeeld: de dief die een fiets steelt, wast ook direct die fiets wit op het moment dat hij deze steelt. Hij heeft de fiets immers ‘voorhanden’). Dit bracht de Hoge Raad voor een dilemma: naar de tekst van de wet is het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf voldoende voor een witwasveroordeling maar blijkens de memorie van toelichting is het doel van de witwasbepalingen het aanpakken van de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde. Worden deze aangetast bij het enkele voorhanden hebben van een goed uit eigen misdrijf afkomstig? De Hoge Raad beantwoordde deze laatste vraag ontkennend en kwam met een oplossing. Deze oplossing wordt in de dogmatiek de kwalificatieuitsluitingsgrond genoemd.

Gelet op de ontwikkelingen in de rechtspraak beogen de auteurs van dit artikel een juridisch kader te geven waarin wordt uitgelegd wat deze kwalificatieuitsluitingsgrond inhoudt, hoe de rechterlijke macht deze kwalificatieuitsluitingsgrond heeft toegepast in de praktijk, hoe deze kwalificatieuitsluitingsgrond zich verhoudt tot het begrip herkomst genoemd in sub a van art. 420bis lid 1 en tot slot bieden zij enkele handvatten voor de praktijk (opsporing, vervolging, rechterlijk oordeel en verdediging).

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF