Aankoop onroerend goed met uit misdrijf (valsheid in geschrifte en oplichting) verkregen gelden is wel witwassen. HR herhaalt recente rechtspraak over de kwalificatie van witwassen.

Hoge Raad 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950 Verdachte is veroordeeld wegens het onder 4 bewezenverklaarde verwerven van woningen en/of loodsen, alsmede het gebruik maken daarvan, terwijl zij wist dat deze woningen en/of loodsen "onmiddellijk of middellijk" van misdrijf afkomstig waren.

Het Hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen, meermalen gepleegd".

Het Hof heeft ten aanzien van de kwalificatie het volgende overwogen:

"Voorop wordt gesteld dat, wanneer vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof heeft evenwel bewezen verklaard dat verdachte de onderhavige onroerende goederen, die - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft verworven en van een deel van die onroerende goederen gebruik heeft gemaakt, gedragingen ten aanzien van welke de door de raadsman gestelde eis blijkens de betreffende vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet geldt.

Meer in het bijzonder overweegt het hof dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) hypothecaire leningen, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerende goederen verworven en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf. Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (NJ 2010, 655) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van het de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door haar handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende goederen te betalen en vervolgens (een deel van) die onroerend goederen ook als rechthebbende te gebruiken."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde “witwassen” oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Die rechtsregels gelden derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard het verwerven van woningen en/of loodsen, alsmede het gebruik maken daarvan, terwijl zij wist dat deze woningen en/of loodsen "onmiddellijk of middellijk" van misdrijf afkomstig waren.

Uit overweging van het Hof kan worden afgeleid dat de verdachte door middel van oplichting en/of valsheid in geschrifte hypothecaire leningen heeft afgesloten waarna zij de uit deze hypothecaire leningen verkregen gelden heeft aangewend voor de aankoop van de in de bewezenverklaring genoemde woningen en/of loodsen. Deze voorwerpen zijn dus - anders dan de voor de aankoop gebruikte gelden - niet "onmiddellijk" afkomstig van de door de verdachte gepleegde oplichting en valsheid in geschrifte.

Voorts geldt dat de nadere motiveringseis uitsluitend ziet op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij geldt in beginsel niet in gevallen als het onderhavige waarin eveneens is bewezenverklaard het "gebruik maken" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan dit begrip toekomt - van zulke voorwerpen (vlg. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, rov. 2.4.1 en 2.4.2).

Het Hof heeft de gedragingen van de verdachte met betrekking tot de woningen en/of loodsen terecht en zonder tot de motivering gehouden te zijn gekwalificeerd als witwassen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF