Vrijspraak (gewoonte)witwassen: uit dossier blijkt onvoldoende dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het op zijn bankrekening geboekte geld van misdrijf afkomstig was

Rechtbank Noord-Nederland 4 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2671

De rechtbank stelt vast dat verdachte, medeverdachte en medeverdachte 1 tegenover de FIOD en bij de rechter-commissaris verschillende en met elkaar tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de herkomst van het geld en de gang van zaken rond de overboeking daarvan. Verdachte heeft verklaard dat hij van medeverdachte het in de tenlastelegging bedoelde bedrag van € 360.000,-- heeft geleend en op zijn rekening heeft ontvangen, ten behoeve van de aankoop van een appartement in Brazilië. Medeverdachte heeft het bestaan van een dergelijke lening ontkend en verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte 1 geld heeft geprobeerd over te boeken naar Brazilië en dat, toen dit niet bleek te lukken, hij dit geld naar een rekening heeft overgemaakt die aan hem door medeverdachte 1 was opgegeven. Medeverdachte 1 heeft daarentegen verklaard dat hij tussen medeverdachte en verdachte heeft bemiddeld om zo op informele wijze een financiering voor verdachte te verkrijgen voor de aankoop van het appartement.

De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen welke van deze verklaringen de juiste is, ook al omdat de door verdachte en medeverdachte 1 bedoelde leningsovereenkomst nooit is overgelegd. In ieder geval vindt de stelling van de officier van justitie dat medeverdachte het appartement in Brazilië zou hebben gekocht en dat verdachte daarvoor als stroman zou hebben gefungeerd onvoldoende steun in het dossier. Uit de verklaring van persoon 2 kan worden afgeleid dat medeverdachte in Brazilië helemaal niet in beeld was, aangezien hij verklaart alleen zaken te hebben gedaan met verdachte. Verdachte heeft ook verklaard dat hij persoonlijk in Brazilië is geweest voor de aankoop van het betreffende appartement.

Eén en ander betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van de verwijten uit zal dienen te gaan van de eigen verklaring van verdachte. Zo al zou moeten worden aangenomen dat het aan hem verstrekte geld afkomstig was uit enig misdrijf, blijken daaruit geen feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank kan afleiden dat verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De enkele constatering dat verdachte geld heeft geleend in het informele circuit is daarvoor onvoldoende.

Gelet op het voorgaande dient verdachte vrijgesproken te worden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF