Veroordeling tot gevangenisstraf en beroepsverbod voor gewoontewitwassen en valsheid in geschrift met valse facturen via stichtingen

Rechtbank Rotterdam 14 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6428

De rechtbank Rotterdam veroordeelt een in 1949 geboren man tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, voor gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en het afleveren en voorhanden hebben van valse geschriften. De verdachte maakt gedurende ruim drie jaar op naam van zijn stichtingen valse facturen op die door bevriende ondernemers via hun bedrijven worden uitbetaald, waarna hij het geld contant opneemt en negentig procent ervan teruggeeft aan de medeverdachten. In totaal gaat zo een bedrag van € 1.527.255 door zijn handen, dat wordt witgewassen via een keten van rechtspersonen die hij volledig beheerst. De rechtbank acht bewezen dat de facturen prestaties in rekening brengen die nooit zijn geleverd en dat de verdachte hiermee verhult wie de rechthebbenden op de gelden zijn. Als bijkomende straf legt de rechtbank een beroepsverbod op voor de duur van vijf jaar, waarbij geen enkele rechtspersoon wordt uitgezonderd. De rechtbank ziet af van de geëiste geldboete en houdt rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onbevoegdverklaring van het hof bij een verzoek om schadevergoeding ex artikel 533 Sv na intrekking van het hoger beroep door het Openbaar Ministerie

Gerechtshof Den Haag 26 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:541

Het Gerechtshof Den Haag verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding voor ondergaan voorarrest op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering. Verzoeker is door de rechtbank Rotterdam ontslagen van alle rechtsvervolging, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep instelt en dit voor de eerste behandeling bij het hof weer intrekt. Omdat de intrekking plaatsvindt voordat de zaak wordt uitgeroepen, is volgens het hof het gerecht in feitelijke aanleg bevoegd waarvoor de zaak laatstelijk werd vervolgd. Het hof stelt de intrekking van het hoger beroep gelijk aan de situatie waarin geen hoger beroep is ingesteld, onder verwijzing naar artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en eerdere rechtspraak. Dat verzoeker reeds was gedagvaard, maakt dit niet anders. Het hof verwijst het verzoek naar de raadkamer van de rechtbank Rotterdam ter verdere afdoening.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor faillissementsfraude rond een beveiligingsbedrijf dat zich richtte op cruiseschipbeveiliging

Rechtbank Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5480

De rechtbank Amsterdam veroordeelt op 21 mei 2026 een feitelijk bestuurder voor faillissementsfraude rond een beveiligingsbedrijf dat zich richtte op cruiseschipbeveiliging. In het jaar voorafgaand aan het faillissement is voor ruim € 547.000 zonder geldige titel van de bankrekening van de vennootschap overgeboekt naar gelieerde ondernemingen en privérekeningen, en is een auto onttrokken aan de boedel. De verdachte doet daarnaast uitgaven met een privékarakter en laat na een volledige administratie te voeren en de curator de gevraagde inlichtingen te verschaffen. De rechtbank merkt de verdachte aan als feitelijk bestuurder in de zin van artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht en verwerpt het verweer dat zij die rol niet vervulde. Wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn wijkt de rechtbank af van de LOVS-oriëntatiepunten, die bij een benadelingsbedrag van € 300.000 uitgaan van twaalf tot achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Afwijking van de hoofdregel dat het Openbaar Ministerie een vóór de kenbare ontbinding gedagvaarde rechtspersoon mag vervolgen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3530

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de verdere vervolging van een rechtspersoon die in eerste aanleg was veroordeeld voor gewoontewitwassen. De rechtspersoon is na faillissement ontbonden en opgehouden te bestaan. Tussen het vermoedelijk begane feit en de behandeling in hoger beroep is ruim tien jaar verstreken. De bedrijfsactiviteiten zijn niet voortgezet en er zijn geen liquide middelen. De advocaat-generaal vordert niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van belang. Het hof wijkt op grond van specifieke omstandigheden af van de hoofdregel, vernietigt het vonnis en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beleggingsfraude: hof houdt beslag op vastgoed in stand ondanks verkoop aan derde

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3465

Het OM legde in de zomer van 2023 strafvorderlijk beslag op een appartementencomplex in Tiel, omdat de eigenaar verdachte is in een onderzoek naar beleggingsfraude. Daarna verhuurde de eigenaar de appartementen en verkocht het complex aan een derde. Die koper vorderde in kort geding opheffing van de beslagen tegen vervangende zekerheid voor de koopsom. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijst dat af: het OM hoeft de beslagen niet op te heffen. Als de huur en verkoop later een schijnconstructie blijken, kan een onverhuurd complex namelijk veel meer opbrengen dan de aangeboden zekerheid.

Read More
Print Friendly and PDF ^