Veroordeling voor faillissementsfraude rond een beveiligingsbedrijf dat zich richtte op cruiseschipbeveiliging

Rechtbank Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5480

De rechtbank Amsterdam veroordeelt op 21 mei 2026 een feitelijk bestuurder voor faillissementsfraude rond een beveiligingsbedrijf dat zich richtte op cruiseschipbeveiliging. In het jaar voorafgaand aan het faillissement is voor ruim € 547.000 zonder geldige titel van de bankrekening van de vennootschap overgeboekt naar gelieerde ondernemingen en privérekeningen, en is een auto onttrokken aan de boedel. De verdachte doet daarnaast uitgaven met een privékarakter en laat na een volledige administratie te voeren en de curator de gevraagde inlichtingen te verschaffen. De rechtbank merkt de verdachte aan als feitelijk bestuurder in de zin van artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht en verwerpt het verweer dat zij die rol niet vervulde. Wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn wijkt de rechtbank af van de LOVS-oriëntatiepunten, die bij een benadelingsbedrag van € 300.000 uitgaan van twaalf tot achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Inleiding en context

De zaak speelt voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam en betreft een vervolging in eerste aanleg. De verdachte is een natuurlijk persoon, een vrouw, geboren in 1976. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen haar medeverdachte, die middellijk bestuurder van de vennootschap is.

De vennootschap is opgericht in 2007 en verricht beveiligingswerkzaamheden, met name cruiseschipbeveiliging. Zij is op 25 februari 2020 door de rechtbank Midden-Nederland failliet verklaard, op aanvraag van werknemers van wie het salaris vanaf oktober 2019 niet meer werd betaald. De curator doet in 2021 melding van mogelijke faillissementsfraude bij de FIOD en doet aanvullend aangifte tegen de verdachte en de medeverdachte. Aan de vennootschap zijn meerdere ondernemingen gelieerd, waarvan de verdachte aandeelhouder en bestuurder is. In november 2019 richt zij drie nieuwe vennootschappen op met deels dezelfde activiteiten.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij als bestuurder van de failliete rechtspersoon in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020, tezamen en in vereniging met een ander, gelden en goederen aan de boedel heeft onttrokken en buitensporig middelen heeft verbruikt, wetende dat schuldeisers daardoor zijn benadeeld (feit 1). Verder wordt haar verweten dat zij vanaf 25 februari 2020 opzettelijk heeft geweigerd de curator de vereiste inlichtingen te geven (feit 2) en dat zij, tezamen en in vereniging, opzettelijk niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie (feit 3).

Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 348a, dat onder bestuurder mede begrijpt degene die feitelijk als bestuurder optreedt. De inlichtingenplicht volgt uit de artikelen 105 en 106 van de Faillissementswet, de boekhoudplicht uit artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de drie feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat de verdachte voor feit 1 en feit 3 van het medeplegen moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. De officier van justitie vordert een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert als voorvraag aan dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 onvoldoende feitelijk is bepaald, omdat de periode zeer lang is en niet is gespecificeerd welke onderdelen van de administratie ontbraken en hoe dat de afhandeling van het faillissement bemoeilijkte. Zij verzoekt dit deel van de dagvaarding nietig te verklaren.

Ten gronde voert de verdediging aan dat de verdachte vanaf september 2019 geen substantiële rol meer speelde en daarom niet als feitelijk bestuurder in de zin van artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt, zodat zij van alle feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 betoogt de verdediging dat de overgeboekte bedragen geen onttrekkingen zijn, maar zijn verwerkt in de rekening-courantverhouding of zien op saldocompensatie en op verrichte werkzaamheden. Met de verkoop van de auto's heeft de verdachte niets te maken, omdat de medeverdachte deze heeft verkocht. Van buitensporige uitgaven is volgens de verdediging geen sprake, omdat de transacties een zakelijk karakter hebben. Voor de maanden januari tot en met augustus 2019 ontbreekt een causaal verband met de benadeling van schuldeisers, gelet op de gemiddelde maandomzet van € 156.563. Ten slotte ontbreekt voorwaardelijk opzet, omdat het faillissement niet voorzienbaar was en de verdachte de kans daarop in elk geval niet bewust heeft aanvaard.

Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat op de verdachte geen inlichtingenplicht rustte en dat zij niet opzettelijk heeft nagelaten informatie te verstrekken, omdat zij geen beschikkingsmacht had over de administratie. Ten aanzien van feit 3 stelt de verdediging dat de administratie wel werd gevoerd maar niet werd overhandigd, dat de curator voldoende informatie had om de vorderingen in kaart te brengen, zodat het in artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde causaal verband ontbreekt, en dat opzet ontbreekt.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt het beroep op nietigheid van de dagvaarding. Tegen de achtergrond van het dossier, waarin de curator heeft aangegeven dat zo goed als de gehele administratie ontbrak, is voldoende duidelijk waarop feit 3 betrekking heeft. Dat de tenlastegelegde periode relatief lang is, doet daaraan niet af. De dagvaarding is geldig en de officier van justitie is ontvankelijk.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte feitelijk bestuurder is in de zin van artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht. Zij hield zich bezig met relatiebeheer, belastingaangiften, offertes en prijsonderhandelingen, ondertekende arbeidsovereenkomsten als zakelijk directeur en bemoeide zich met de financiën. Meerdere getuigen verklaren dat zij de drijvende kracht achter de onderneming was en feitelijk de bestuurder. Zij was gemachtigde van de bankrekening en beschikte over de betaalpas. Tot aan het faillissement vonden vanuit de vennootschap overboekingen plaats naar ondernemingen waarvan zij aandeelhouder en bestuurder was. Het verweer dat zij geen bestuurder was, wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 1 spreekt de rechtbank de verdachte partieel vrij van het onttrekken van een Peugeot 107 aan de boedel, omdat bij gebrek aan onderliggende stukken niet kan worden vastgesteld wat met de opbrengst is gebeurd. Voor het overige acht de rechtbank het feit bewezen. Omdat geen enkele administratie is aangetroffen die duidelijkheid geeft over de aard en het doel van de overboekingen, kan van een geldige titel niet worden uitgegaan en worden de overboekingen als onttrekkingen aangemerkt. De rechtbank gaat voorbij aan de niet onderbouwde verklaring over rekening-courant en saldocompensatie. In totaal is een bedrag van € 547.046,40 onttrokken, waarvan circa € 400.000 naar de verdachte of aan haar gelieerde entiteiten. De verkoop van de Renault Clio, waarvan de opbrengst naar privérekeningen van de verdachte en de medeverdachte vloeide, wordt als onttrekking aangemerkt. De uitgaven voor luxegoederen worden gekwalificeerd als buitensporig middelenverbruik en de betalingen aan een reisorganisatie als onttrekking.

De rechtbank acht het faillissement voorzienbaar. De onttrokken bedragen overstijgen de in 2019 behaalde omzet, vanaf september 2019 wordt geen omzet meer opgegeven en de salarissen en huur worden vanaf oktober 2019 niet meer betaald. De verdachte was bovendien bezig nieuwe ondernemingen op te zetten met dezelfde activiteiten. De rechtbank oordeelt dat zij wist of had moeten weten dat de onttrekkingen in het zicht van het faillissement tot benadeling van schuldeisers zouden leiden en dat zij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het totaalbedrag aan ingediende vorderingen bedraagt € 318.504,44 en het faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven, zodat de schuldeisers daadwerkelijk zijn benadeeld. De rechtbank acht medeplegen bewezen, omdat de verdachte en de medeverdachte beiden van de onttrekkingen hebben geprofiteerd.

Ten aanzien van feit 2 oordeelt de rechtbank dat op de verdachte als feitelijk bestuurder de inlichtingenplicht rust en dat zij daaraan niet heeft voldaan. Zij heeft niet of niet inhoudelijk op de verzoeken van de curator gereageerd en is, ondanks uitnodiging, niet op kantoor verschenen. Uit haar eigen brief leidt de rechtbank af dat sprake was van onwil, niet van feitelijke onmogelijkheid. De rechtbank acht een kortere periode bewezen, tot en met 15 november 2022, de datum waarop de vennootschap is opgeheven.

Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank vast dat de verdachte als feitelijk bestuurder niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie. De curator heeft nooit een volledige administratie aangetroffen of ontvangen, waardoor het onderzoek naar onbehoorlijk bestuur en mogelijk paulianeus handelen is bemoeilijkt. De rechtbank acht ook hier medeplegen bewezen en overweegt dat de verdachte en de medeverdachte tevergeefs naar elkaar wijzen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen:

  • feit 1: medeplegen van het als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, vóór het faillissement onttrekken van een goed aan de boedel en het buitensporig uitgeven en vervreemden van middelen, door zonder geldige titel in totaal € 547.046,40 over te maken aan vijf gelieerde vennootschappen, door uitgaven met een privékarakter te doen en door een Renault Clio te verkopen en de koopprijs op privérekeningen te laten betalen;

  • feit 2: het als bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven, in de periode van 25 februari 2020 tot en met 15 november 2022;

  • feit 3: medeplegen van het als bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022.

Van het onttrekken van de Peugeot 107 en van het meer of anders tenlastegelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank constateert een forse overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarin aanleiding af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, die bij een benadelingsbedrag van € 300.000 uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een substantiële taakstraf op. Zij weegt mee dat de verdachte de curator heeft gehinderd, dat de schuldeisers voor ruim € 300.000 zijn benadeeld en dat ongeveer 80 procent van de overgeboekte gelden naar aan de verdachte gelieerde rekeningen is gegaan, waarmee zij zich aanzienlijk heeft verrijkt. Uit haar strafblad blijkt dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uur, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De hogere taakstraf dan de aan de medeverdachte opgelegde straf hangt samen met het verschil in verrijking tussen beiden. De rechtbank wijkt daarmee op de hoofdstraf af van de eis, die uitging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^