Onbevoegdverklaring van het hof bij een verzoek om schadevergoeding ex artikel 533 Sv na intrekking van het hoger beroep door het Openbaar Ministerie
/Gerechtshof Den Haag 26 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:541
Het Gerechtshof Den Haag verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding voor ondergaan voorarrest op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering. Verzoeker is door de rechtbank Rotterdam ontslagen van alle rechtsvervolging, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep instelt en dit voor de eerste behandeling bij het hof weer intrekt. Omdat de intrekking plaatsvindt voordat de zaak wordt uitgeroepen, is volgens het hof het gerecht in feitelijke aanleg bevoegd waarvoor de zaak laatstelijk werd vervolgd. Het hof stelt de intrekking van het hoger beroep gelijk aan de situatie waarin geen hoger beroep is ingesteld, onder verwijzing naar artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en eerdere rechtspraak. Dat verzoeker reeds was gedagvaard, maakt dit niet anders. Het hof verwijst het verzoek naar de raadkamer van de rechtbank Rotterdam ter verdere afdoening.
Inleiding en context
De zaak betreft een verzoek van een natuurlijk persoon, geboren in 1977, om toekenning van schadevergoeding wegens ondergaan voorarrest. De rechtbank Rotterdam ontslaat verzoeker bij vonnis van 23 juli 2024 van alle rechtsvervolging ter zake van het hem tenlastegelegde. Het Openbaar Ministerie stelt op 5 augustus 2024 hoger beroep in en trekt dit op 16 mei 2025 weer in. De behandeling bij het hof stond gepland op 3 juni 2025. Verzoeker dient daarna bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift in tot toekenning van een schadevergoeding van € 10.500 voor het door hem ondergane voorarrest. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam verklaart zich op 17 oktober 2025 onbevoegd en verwijst de behandeling naar het hof. De raadkamer van het hof behandelt het verzoek op 19 februari 2026, waarbij de advocaat van verzoeker en de advocaat-generaal worden gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.
Verzoek en wettelijk kader
Het verzoek berust op artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering, dat voorziet in schadevergoeding voor ondergaan voorarrest na een zaak die eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. De bevoegdheidsvraag wordt beheerst door artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan het gerecht in feitelijke aanleg bevoegd is waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of het laatst werd vervolgd. Welk feit aan verzoeker was tenlastegelegd, blijkt niet uit de beschikking.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal concludeert dat het hof niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en dat de zaak door de raadkamer van de rechtbank Rotterdam dient te worden behandeld.
Standpunt van verzoeker
De advocaat van verzoeker is ter zitting gehoord. De inhoud van het door of namens verzoeker ingenomen standpunt blijkt niet uit de beschikking.
Oordeel gerecht
Het hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie op 16 mei 2025, voor de eerste behandeling van de zaak bij het hof, het hoger beroep heeft ingetrokken, zodat de zaak tegen verzoeker niet is uitgeroepen. Op grond van artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het hof overweegt dat de intrekking van een ingesteld hoger beroep moet worden gelijkgesteld met de situatie waarin geen hoger beroep is ingesteld, en verwijst daarbij naar Hof Leeuwarden 17 januari 2001 (NbSr 2001/40), Hof Amsterdam 31 januari 2002 (NbSr 2002/80) en Hof Amsterdam 24 september 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2731). Nu de intrekking heeft plaatsgevonden voor de behandeling van de zaak, is de rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Dat verzoeker is gedagvaard, doet daar volgens het hof niet aan af. Het hof verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak naar de raadkamer van de rechtbank Rotterdam ter verdere afdoening.
Beslissing
Het hof verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen en stelt de stukken in handen van de raadkamer in de rechtbank Rotterdam.
