Afwijking van de hoofdregel dat het Openbaar Ministerie een vóór de kenbare ontbinding gedagvaarde rechtspersoon mag vervolgen
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3530
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de verdere vervolging van een rechtspersoon die in eerste aanleg was veroordeeld voor gewoontewitwassen. De rechtspersoon is na faillissement ontbonden en opgehouden te bestaan. Tussen het vermoedelijk begane feit en de behandeling in hoger beroep is ruim tien jaar verstreken. De bedrijfsactiviteiten zijn niet voortgezet en er zijn geen liquide middelen. De advocaat-generaal vordert niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van belang. Het hof wijkt op grond van specifieke omstandigheden af van de hoofdregel, vernietigt het vonnis en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.
Inleiding en context
De verdachte is een rechtspersoon. In eerste aanleg veroordeelt de rechtbank Overijssel haar bij vonnis van 2 september 2020 voor gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, en verklaart haar schuldig zonder oplegging van straf of maatregel. De verdachte stelt hoger beroep in. De zaak maakt deel uit van het onderzoek Travee. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van 24 maart 2026 is de verdachte ten gevolge van faillissement met ingang van de faillissementsdatum opgehouden te bestaan en nadien uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. De voormalig curator bericht bij brief van 19 februari 2026 dat de verdachte is ontbonden en opgeheven, omdat het faillissement is geëindigd wegens het verbindend worden van de enige uitdelingslijst. In eerste aanleg wordt de verdachte nog bijgestaan door haar bestuurder; ter zitting van het hof verschijnt namens haar niemand. De zaak wordt bij verstek behandeld op de zittingen van 10 april 2026 en 3 juni 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon. De uitspraak vermeldt geen specifieke wetsartikelen. Gewoontewitwassen is strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal neemt het standpunt in dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat met verdere vervolging geen enkel belang meer is gediend.
Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte verschijnt ter zitting van het hof niemand.
Oordeel gerecht
Het hof stelt voorop dat het Openbaar Ministerie volgens de hoofdregel ontvankelijk is in de vervolging, nu deze is ingesteld voordat voor derden kenbaar was dat de verdachte is ontbonden. Een aantal specifieke omstandigheden geeft naar het oordeel van het hof echter aanleiding van die hoofdregel af te wijken. Tussen het vermoedelijk begaan van het tenlastegelegde feit en de inhoudelijke behandeling in hoger beroep is een periode van ruim tien jaar verstreken. Het hof acht voldoende gebleken dat de bedrijfsactiviteiten niet zijn voortgezet en dat de verdachte thans geen liquide middelen bevat. Van een juridisch of feitelijk voortbestaan of een voortzetting op enige andere wijze is niet gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte is opgehouden te bestaan. Daarbij betrekt het hof dat de rechtbank de verdachte schuldig heeft verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. In onderlinge samenhang bezien leiden deze omstandigheden het hof, met de advocaat-generaal, tot het oordeel dat geen belang meer bestaat bij de verdere vervolging. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk in de verdere vervolging en vernietigt het vonnis waarvan beroep.
