Principiële uitspraak HR over verschoningsrecht van rechtspersonen

Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600

Vorige week heeft de Hoge Raad (in civilibus) een principiële uitspraak gedaan ten aanzien van het verschoningsrecht. Deze zaak gaat over de vraag of vennootschappen die voorwerp zijn van een enquête zich jegens de onderzoekers bij het verstrekken van documenten die de onderzoekers in het kader van de enquête hebben opgevraagd kunnen beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht, in het bijzonder of zij de onderzoekers mogen weigeren inzage te geven in verschoningsgerechtigde informatie die is opgenomen in onder meer notulen van het bestuur en de raad van commissarissen en in bestuursbesluiten van de vennootschappen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Het voorhanden hebben van een vuurwapen: wat kan men van een minderjarige verdachte verwachten?

Noot onder HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504

Door Sam van de Akker, Baumgardt Strafcassatie Advocatuur

Op 5 november 2019 nam de procureur-generaal bij de Hoge Raad, Silvis, een – vanuit het perspectief van de verdediging - hoopgevende conclusie over het voorhanden hebben van vuurwapens (conclusie procureur-generaal J. Silvis 5 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1109).

Read More
Print Friendly and PDF ^

'Voorhanden hebben' wapen als bedoeld in artikel 26 WWM

Hoge Raad 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507

Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklachten over opzettelijk niet (tijdig) doen van belastingaangiften en het aanmerken van verdachte als feitelijke leidinggever

Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:406

Het eerste middel klaagt onder meer dat uit de bewijsvoering niet blijkt van opzet ten aanzien van – kort gezegd – het niet of niet tijdig doen van aangiften omzetbelasting door A. Daarnaast komt het middel op tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft aangemerkt als feitelijk leidinggever van het onder 1 ten laste gelegde, althans ‘s hofs verwerping van het hieromtrent namens de verdachte gevoerde verweer.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Omvang hoger beroep, gedeeltelijke intrekking en gevolgen voor sanctieoplegging

Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:406

Indien bij samenloop van feiten niet tegen het vonnis in zijn geheel maar slechts tegen een of meer van die feiten hoger beroep is ingesteld, zal het hof - in geval van vernietiging ten aanzien van de sanctieoplegging - op de voet van artikel 423 lid 4 Sv voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de sanctie moeten ‘bepalen’. Dit betekent dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Shaken Baby-zaken: is een kans van 15 tot 23% op de dood aanmerkelijk te noemen?

Door S. van den Akker, Baumgardt Strafcassatie Advocatuur

Noot bij HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:493

De feiten die (uiteindelijk) hebben geleid tot het genoemde arrest van de Hoge Raad zijn allerminst droevig te noemen. Het gaat kortgezegd om een shaken baby-zaak. In de zogenaamde shaken baby-zaken wordt in cassatie veelal geklaagd over opzetoverwegingen van gerechtshoven. In het bijzonder wordt er vaak geklaagd over de rechtsopvattingen van de hoven met betrekking tot de aanmerkelijke kans.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Fiscale fraudezaak: voldoende motivering getuigenverzoek i.v.m. informatieverstrekking aan Belastingdienst

Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:487

Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van de getuige getuige 1 met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen en dat de afwijzing van een onbegrijpelijke en ontoereikende motivering is voorzien.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Kan er sprake zijn van een beslagene als op de kennisgeving van inbeslagneming is aangetekend ‘geen eigenaar bekend’?

Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:443

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Column: De verhouding tussen artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake de Rijksbelastingen en artikel 326 van het wetboek van strafrecht

Door S. van den Akker, strafrechtadvocaat bij Baumgardt Strafcassatie Advocatuur te Rotterdam

Op enig moment is er een onderneming met een bijzonder (crimineel te noemen) winstoogmerk, dat erop neerkomt om de Belastingdienst geld uit te laten keren aan die onderneming zonder dat die onderneming daar daadwerkelijk recht op heeft. De onderneming kan - om een voorbeeld te noemen - meer belasting claimen dan waar zij in werkelijkheid recht op heeft. Een wat mij betreft interessante juridische discussie voor dit ‘probleem’ is de keuze voor de grondslag van de tenlastelegging. De keuze is tussen de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen (art. 69 lid 2 daarvan) en de keuze voor het commune strafrecht (in de zin van artikel 326 wetboek van strafrecht).

Read More
Print Friendly and PDF ^

Salduz-problematiek bij ontneming: Herbeoordeling van de vaststellingen in de hoofdzaak vanwege EHRM-uitspraak Van de Kolk/Nederland?

Parket bij de Hoge Raad 17 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:253

Het middel komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op verklaringen van (de betrokkene en) medeverdachten die zijn afgelegd met schending van het recht op toegang tot rechtsbijstand.

Read More
Print Friendly and PDF ^